PREEK VAN PASTOOR/PLEBAAN R. WAGENAAR, GEHOUDEN OP ZONDAG 4 JULI 2021 IN DE        ST. JOZEFKATHEDRAAL TE GRONINGEN.

14e Zondag door het jaar – B

Hij stond verwonderd over hun ongeloof.

Wij eigenlijk ook. We kunnen het ons maar moeilijk voorstellen, dat de mensen, die Jezus zo nabij meemaakten en meegemaakt hadden in Zijn jeugd, niet in Hem geloofden. Goed, dat zij Hem niet zagen als Gods Zoon kunnen we begrijpen, maar Hij moet toch een bijzondere uitstraling hebben gehad, als persoon. Zijn boodschap was toch bijzonder en bevrijdend, zoals Zijn wonderdaden waren.

Maar nee, geen enkele herkenning. Wat verbeeldt Hij zich wel? Zijn vader is toch een gewone timmerman? Wij kennen Zijn familie toch? Broers en zusters, al moeten we dat in het toenmalige taalgebruik wat ruimer opvatten in de zin van verwanten.

Ja, voor hun ogen genas Hij nog enkele zieken, maar het ongeloof was er niet minder om. Ze namen er aanstoot aan. Waaraan? Aan het handelen van God in deze man Jezus.

In die alledaagse werkelijkheid konden of wilden ze God niet herkennen.

Het was niet nieuw. Hoorden we niet bij Ezechiël in de Eerste Lezing, hoe de kinderen van Israël “ een nukkig en weerbarstig volk” worden genoemd?  “En of ze nu luisteren of niet, ze zullen weten, dat er een Profeet in hun midden is”. Ezechiël, die wij nu met eerbied en aandacht lezen, zoals het Evangelie, waarin we naar Christus luisteren, werden niet als zodanig herkend. Een Profeet wordt niet in zijn eigen vaderstad geëerd.

Maar is het later anders geworden? Hoe vaak in de geschiedenis zijn niet mensen bejubeld, die vervolgens, vaak voorgoed, vergeten zijn, omdat het toch niet zo bijzonder was. En daartegenover: hoe vaak zijn niet mensen verguisd, die later geëerd werden, omdat achteraf pas duidelijk was, hoezeer ze het bij het rechte eind hadden, of wel iets te melden hadden, of wel iets bijzonders gepresteerd bleken te hebben. We kennen in het gewone profane vlak bijvoorbeeld kunstenaars of componisten. Rembrandt is heel lang niet zo geëerd als nu en van Mozart is niet eens zijn graf bekend, om maar een paar voorbeelden te noemen. Herkenning van het werkelijke talent was er vaak niet, of maar even, of slechts door enkelen. En in de geschiedenis van de Kerk is het niet anders gegaan. Geschriften en daden van grote mannen en vrouwen, die wij nu Heiligen noemen, zijn vaak pas later door velen als bijzonder herkend en blijven inspireren. Zo zijn namen van honderden jaren geleden, in tegenstelling tot namen uit de geschiedenis, nog steeds levende namen – door tallozen aangeroepen tot op vandaag: H Antonius,  H. Franciscus. En noem maar Heiligen op uit het verre verleden.

Als ik zwak ben, ben ik sterk. Wat zwak leek, of onbeduidend of dwaas, is vaak pas achteraf als sterk herkend. Dat is de paradox van ons Christelijk geloof in het bijzonder en het meest duidelijk in Christus zelf. Zo kunnen wij gemakkelijk terugkijken en ons verbazen over de blindheid van generaties vóór ons. Maar onze eigen blindheid – denk aan alles, wat zich nu afspeelt. Maar we moeten de lijn doortrekken naar het hier en nu. Zien wíj beter, herkennen wij gemakkelijker? Wij, die onszelf mondig noemen?

Zien wij, na zoveel eeuwen Christendom, ons leven duidelijker als een weg naar God? Zien wij de waarde en de noodzaak van de Genadegaven van de Heer in Zijn Sacramenten beter? Kijken wij transparanter door het mysterie van de Kerk heen? Kunnen wij gemakkelijker door het menselijke en zwakke van haar heen kijken en Gods kracht, de werking door Zijn Geest, erin blijven zien? Wij hebben zoveel vóór op al die eeuwen voor ons.

Wij staan middenin een prachtige tuin, een schitterend park, of zien we vooral het onkruid en het hek in de verte? We staan in een fantastische schatkamer, of zien we vooral het stof of het zilver, dat nodig gepoetst moet worden? Of, om een Bijbels beeld te gebruiken: wij staan voor een weelderige boom, rijk in bladeren en vruchten, of zijn wij vergeten, dat die uit een onnozel zaadje zo is geworden, of zien we alleen wat dode takken en enkele dorre bladeren?

Maar WIJ moeten het onkruid wieden, het zilver poetsen, het dode en dorre verwijderen uit ons eigen hart.

Er is gezegd: verbeter de wereld, begin bij uzelf. Verbeter de KERK en begin met uzelf. Want wij maken de Kerk.

Als wij zó te werk gaan en leven, zullen wij echt gaan herkennen.

Amen