Preken

Preek 7e zondag door het jaar – C

Over een vergevende liefde spreken de lezingen op deze zondag. Misschien moeten we zelfs zeggen dat vergeving in het hart van de liefde staat. Wat zou de wereld er vriendelijker uitzien als we echt konden vergeven, in onderlinge verhoudingen in gezinnen en families, tussen landen. Maar het is ook zoals moeder Teresa eens zei: liefde is eenvoudig maar niet gemakkelijk.
We hoorden in de eerste lezing over Davids grootmoedige en edelmoedige vergeving schenken aan koning Saul die hem naar het leven stond, ingegeven door eerbied voor de gezalfde des Heren.
Christus spreekt in het evangelie over een onbegrensde liefde: niet beperkt tot een vorst of eigen stam, tot vrienden en mensen die goed voor ons zijn. Dat doen de heidenen ook.
Christus vraagt meer dan het gewone, voor de hand liggende. Hij vraagt om een stap over ons zelf heen te zetten. Niet eigen gelijk of eigen trots te laten overheersen, maar jezelf prijs te geven voor een beter doel- zoals man en vrouw zich ineen huwelijk aan elkaar uitleveren, zoals Christus zelf zich gaat uitleveren tot het laatste toe uit liefde voor ons.
Het gaat om een nieuwe geest, om een andere wijze naar de werkelijkheid, naar elkaar te kijken. Het gaat om de gezindheid van het hart. Het haat zaaien, mensen schofferen in een primaire opwelling via de sociale media zoals zo vaak gebeurt, staat daar haaks op. Dat is gif in onze menselijke relaties. Nee, dat levert niets goeds op.
Christus vraagt om het tegenovergestelde: je vijanden liefhebben, hen eerder zegenen dan te vervloeken, goedheid stellen tegenover het kwaad. Jezus zegt vandaag in het evangelie dat we ‘van harte’ moeten vergeven, dus geen koele hand en strakke blik. Christus is veeleisend in de liefde. Is dat niet een onmogelijke opgave voor ons mensen? We hebben vaak al moeite genoeg met mensen die we niet als vijanden beschouwen.
Ons wordt in de huidige cultuur van onze media iets anders voorgehouden: liefde is lief zijn, seks, genieten, dus ik gericht, moet vrij zijn en alles moet kunnen want ik mag zelf bepalen wat menselijk is. Er is geen waarheid. De mens is de maatstaf van alle dingen, zo wordt door geadoreerde filosofen beweerd. Hun gedachtenkronkels brengen verwarring en bepleiten eigenlijk nihilisme. En zo heeft op het ogenblik ieder zijn eigen moraal en leeft naar hem of haar goeddunkt, met alle gevolgen en breuken van dien. Trouw lijkt een vergeten begrip geworden en de kinderen die maar verwerkt worden bungelen tussen twee ouders op verschillende adressen.
Hoe moeten zij leren wat werkelijk liefde is, die zorg en aandacht en geborgenheid vraagt in hun jonge jaren. Wat krijgen zij aan waarden en normen mee, om nog maar te zwijgen van het geloof. Als we maar tolerant zijn en alles goed vinden wat altijd vreemd is geweest, en waag het niet iets anders te zeggen dan de publieke opinie ons voorhoudt.
Het gewone is ongewoon geworden en het ongewone gewoon. Maar ik las een uitspraak van Aristoteles, de voor-christelijke Griekse filosoof: tolerantie is de laatste deugd van een stervende maatschappij. Zo is niet alleen de politiek, maar ook onze moraal, onze Nederlandse, ja westerse samenleving ontworteld.
En nu ligt ons enige echte houvast in liefde en vergeving, de Kerk, onder vuur en lijkt het erop dat alle morele kwaad op haar wordt afgewenteld. Maar Kerk en samenleving zijn communicerende vaten. Wat in de een gebeurt, gebeurt ook in de ander. Zonder iets goed te willen praten van wat verkeerd was en is, wil ik toch wel enige nuanceringen aanbrengen bij de eenzijdigheid en vertekening in de ongehoorde publiciteit. Alle schijnwerpers staan op de Kerk gericht alsof zij een bolwerk van seksueel misbruik is. Van alle sportclubs etc. waar het speelde hoor je niets meer, evenmin van het rapport Samson. Meer dan 90% van het misbruik schijnt in gezinnen plaats te vinden; celibaat is niet de oorzaak: in de RK kerk in Nederland ging het om 2% van de geestelijken, in Amerika om 4%. Dat moet natuurlijk 0% worden en het is goed dat het aangepakt wordt en er maatregelen komen. En misschien kan de Kerk een voorbeeld worden van hoe tegen dit misbruik in te gaan, maar een wereldwijde organisatie met 1,5 miljard mensen zal tijd nodig hebben om hier orde in te scheppen.
Maar de Kerk is toch heilig zoals we in de geloofsbelijdenis zeggen? Ja, omdat zij door Christus is gesticht, van God gewild dus en zo goddelijke gaven worden bemiddeld in met name de sacramenten. De morele heiligheid is een opdracht, heiliging van mensen. De Kerk heeft nooit de pretentie gehad de ideale samenleving te zijn, boven de aarde zwevend. De zonde heeft altijd gespeeld, ook in de orde van de geestelijke leiders. Geen mens is zonder zonden en zo bidden we in de Eucharistie al aan het begin om vergeving van zonden en komt de bede telkens terug, zoals vlak voor we te communie gaan: “Let niet op onze zonden maar op het geloof van Uw kerk”. En zegt Christus zelf niet: wie zonder zonden is werpe de eerste steen? ook de Paus biecht.
Het tweede Vaticaans concilie heeft over de Kerk gezegd dat zij zich altijd moet hervormen en zuiveren. Dat gebeurt nu op een heel concrete manier. Laten wij bidden voor de Kerk dat zij door dit proces heen het licht van Christus stralender mag doen schijnen in de wereld.
Amen.
Pastoor R. Wagenaar

 

Preek 27e zondag door het jaar  B  –   Over het huwelijk

“God zei : het is niet goed als de mens alleen blijft. Toen liet God de mens inslapen, nam één van zijn ribben weg en vormde uit de rib een vrouw”, zo hoorden we in de eerste lezing.
Iemand wist zeker en hij zal zeker de enige niet zijn, dat de vrouw dus ondergeschikt is aan de man. Nu wijst de praktijk van het leven vaak wel anders uit.
Maar wat bedoeld is te zeggen is dat zij, de vrouw, van dezelfde soort is als de man – evenwaardig. Ja, het is de bekroning van de schepping want dán juicht de man: eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees.
Het scheppingsgegeven scherpt Jezus vandaag nog aan: wat God verbonden heeft zal de mens niet scheiden.
Ondubbelzinnig leert Hij dat man en vrouw in de onontbindbare eenheid van het huwelijk elkaar wederzijds ontdekken en aanvullen en zo samen hun menszijn uitbouwen.
Wat moeten wij in deze tijd met het evangelie in onze samenleving waar zovelen, steeds vaker al na een korte tijd, tot zelfs een paar maanden, het voor gezien houden?
“De trouwfoto’s waren nog nat”, zei een collega een keer.
Ik las dezer dagen de opmerking van een vrouw in het typische mode-jargon van de t.v. “ach ons huwelijk was ook wel aan een time-out toe “– man en drie dochters achterlatend.
En een man kondigde aan het eind van een 25-jarig huwelijksfeest aan dat hij met de gasten zou vertrekken en zijn vrouw zou achterlaten.
De smakeloosheden zijn soms niet van de lucht.
Maar de pijn is en blijft, ook al doet men zo opgeruimd mogelijk, van een ideaal dat verloren ging.
Maar hoe komt het dat het zo anders is geworden dan het nog niet zo lang geleden was? Al wil ik het verleden niet zo maar idealiseren want daar waren natuurlijk ongelukkige huwelijken. Echtscheiden was niet eenvoudig en hoe moest je alleen verder, zeker als vrouw.
Maar toch, hoeveel – vaak kleine kinderen – moeten nu pendelen tussen twee adressen en zijn geknakt in hun basisvertrouwen?
Er is iets mis in onze samenleving dat het ja-woord zo broos is geworden en velen er zelfs helemaal voor terugschrikken en zo maar samen gaan wonen – kleurloos, niet zelden onder het mom van de relatie uitproberen. Je kunt een wasmachine uitproberen maar niet een relatie.
Zoals Paus J.P. II zei: “je kunt niet leven op proef, je kunt niet liefhebben op proef.”
De breuken zijn er trouwens niet minder om geworden. Eigenlijk heerst er grote wanorde. Dat is voor mensen niet goed en evenmin voor een samenleving. Een relatie opbouwen vraagt om tijd en ook om zelfbeheersing.
Natuurlijk, we leven in welvaart. In onze samenleving is het zo geworden dat we alles, dadelijk, zonder uitstel en helemaal willen hebben. Er is geen wachttijd meer.
En meteen verdwijnt ook de idee van de inspanning.
Dit onmiddellijk totaal bevredigen van elke behoefte werkt dehumaniserend, ontmenselijkt.
Je verliest alle dankbaarheid. En wat meer is, zo wordt je verlangen nooit gezuiverd of verdiept. De onmiddellijke bevrediging doet het verlangen blussen en blust de wil uit vóór hij sterk kan worden.
Afstand brengt nabijheid, is een klassiek gegeven. Dat zuivert het verlangen uit en versterkt het.
Onze tijd heeft behoefte aan mensen die trouw zijn aan het gegeven woord. Er is geen beschaving of gemeenschap die kan leven zonder trouw aan het gegeven woord – in het klein en in het groot – bij afspraken, in politiek, in zaken, in het huwelijk.
Onze helden uit de geschiedenis, onze heiligen in de Kerk waren precies groot omdat ze trouw bleven aan het gegeven woord al moest dit leiden tot de dood. Is Christus zelf niet ons 1e voorbeeld van trouw tot de dood?
Trouw is altijd vruchtbaar. Ik heb het meermalen meegemaakt bij het overlijden van een bejaard iemand, dat de ander zei: ‘we hebben het jaren heel moeilijk samen gehad, maar we hebben toch een tevreden oude dag gehad’.
Ik wil niet oordelen, maar wel mensen bevestigen in de moeilijkheden die zij wellicht doormaken en jonge mensen oproepen serieus hun ja-woord aan elkaar te geven. Clichés zijn er niet voor niets: het huwelijk is gave en opgave. Je kent elkaar altijd nog maar ten dele als je gaat trouwen, ook al denk je anders. En er blijft altijd een geheime rest.
Bovendien weet je niet hoe het leven verder gaat, wat er kan gebeuren van binnenuit in je gezin en van buiten af. Er is maar één gegeven dat telt en dat is niet in woorden te vangen: een innerlijke zekerheid dat je bij elkaar hoort, voor elkaar bestemd bent – zonder voorwaarden.
Het is een ‘geloof in elkaar’. Zonder dat is geen huwelijksleven mogelijk. Dat is nog zuiver menselijk gezien.
Maar hoeveel dieper wordt het niet wanneer ik bij dit geloof op God kan steunen. Nee, God lost niet alles op, maar Hij maakt wel alles mogelijk – door Zijn Heilige Geest.
Ons hart is veel te klein om zo duurzaam en belangeloos lief te hebben. Maar God is groter dan ons hart.
Zijn liefde doordringt het schamele zoeken van man en vrouw en tilt zo de menselijke liefde op.
Dat mensen, mannen en vrouwen, elkaar zo mogen vinden en in trouw groeien tot steeds hechtere eenheid., met de hulp van Gods genade.
Amen.


Preek  30-09-2018 – Over engelen

Vandaag wil ik eens niet over de schriftlezingen van deze zondag spreken maar over een vergeten thema: engelen.

Op 29 september vierden we het feest van de aartsengelen Michaël, Gabriël en Raphaël en op maandag 2 oktober, ook van de engelbewaarders.
Engelen, wat moeten we daar nu mee. Moeten we ons daar nog serieus mee bezig houden?
Toch noemen we ze in de H.Mis, in de schuldbelijdenis – in de prefatie.
We herinneren ons de mollige blote baby-engeltjes uit de baroktijd of uit nog eerder tijd zoals die twee van Raphaël uit Dresden die we overal zien maar misschien denkt u nog eerder aan de 14 engelen voor het slapen gaan en die engel uit de kinderboeken met zijn tegenhanger de duivel – over goed en kwaad.
Zijn die figuren –met vleugels, ontleend aan de Griekse Niké figuur- produkten van onze fantasie, sprookjesfiguren?
De grote katechismus van de Kerk leert beslist anders.
Daar lezen we: het bestaan van geestelijke, niet-lichamelijke wezens, die de Schrift gewoonlijk engelen noemt, is een geloofswaarheid.
Zij zijn dienaren en boodschappers van God, zegt St. Augustinus. Hun natuur is geest, engel geeft een functie aan.
Het zijn persoonlijke en onsterfelijke schepselen. Zij overtreffen alle zichtbare schepselen in volmaaktheid.
In de Bijbel komen ze ontelbare malen voor, al bij de schepping en in heel de heilsgeschiedenis, in de psalmen, in de evangelies en in de Apocalyps.
Ze staan in dienst van het goddelijke heilsplan.
Om een paar voorbeelden te geven: zij sluiten het aards paradijs, ze houden Abraham’s hand tegen als hij zijn zoon Isaak wil offeren, ze staan de profeten bij, zoals Elia die in de woestijn door een engel wordt gevoed, de aartsengel Raphaël begeleidt Tobias op zijn reis. Ze kondigen bijzondere geboortes aan: het is de engel Gabriël die de geboorte van Johannes de Doper en van Jezus aankondigt. Zij zingen het Gloria bij Christus’ geboorte, wat nog iedere zondag weerklinkt in de Eucharistie. Zij dienen Jezus in de woestijn, sterken Hem in zijn doodsangst, kondigen niet alleen de menswording aan maar ook de verrijzenis. Ze wijzen de apostelen op hun taak bij Jezus’ hemelvaart en zijn volop aanwezig in het laatste boek van de H.Schrift De Apocalyps ofwel de openbaring van Johannes en zingen daar het heilig, heilig, heilig voor Gods troon.
We kennen een hiërarchie van engelenkoren – met de zes vleugelige serafijnen, de 4 vleugelige cherubijnen, de machten, krachten, de vorstendommen, de heerschappijen, aartsengelen en engelen zoals Dionysius de Areopagiet ze benoemde in de 4e eeuw – maar zo worden ze niet meer opgesomd aan het einde van de prefatie vóór het sanctus – in de algehele versobering na het 2e Vatikaans Concilie.
Dan zijn er nog de engelbewaarders.
Jezus zelf zegt in het Mt. evangelie: “Hoed u ervoor een van deze kleinen te minachten, terwijl Hij een klein kind naar voren haalt, want zij hebben engelen in de hemel en deze aanschouwen voortdurend het aangezicht van mijn Vader die in de hemel is”
Elders spreekt Hij over de mensenzoon die komt in heerlijkheid en vergezeld van alle engelen.
Zij beschermen, zoals we lezen in het boek Exodus: De Heer sprak: “zie ik zend mijn engel voor u uit om u onderweg te beschermen”.
En in psalm 91 lezen we dat de Heer zijn engelen last heeft gegeven op al uw wegen u te bewaken.
Engelen zijn geen probleem voor het oude Israël noch voor de oude Kerk of die der M.E., noch ook voor de Islam.
Wat zijn engelen, in het algemeen gezegd?
Representanten van God – ze maken zijn aanwezigheid en nabijheid zichtbaar. Zij zijn zijn boodschappers; dienende geesten noemt de Hebreeuwen brief hen – vaak in mensengestalte voorgesteld.
De Bijbel stelt hen voor als geheel betrokken bij onze heilshistorie in Christus. Wat over hen wordt gezegd verkondigt deze fantastische waarheid: dat God zich duizendvoudig om ons bekommert
De namen van de aartsengelen geven dit aan:
Michaël: wie-is-als-God
Gabriël: Gods’ sterke
Raphaël: Gods’ genezing
Hebben wij nu ieder zo’n persoonlijke macht bij ons die ons begeleidt en beschermt? Het antwoord is eigenlijk al gegeven. We mogen bedenken dat ieder de persoonlijke zorg van God geniet en dat deze zorg wordt uitgedrukt door te spreken over de bewaarengel, de engelbewaarder. Niemand van ons is verstoken van Gods’ aanwezigheid.
Zij mogen voor ons boden zijn van Gods’ vreugde en de bewaarders van zijn vrede.
In de liturgie vinden we de engelen in het Gloria, in de prefatie en in het opbeurende In paradisum deducant te angeli van de uitvaartliturgie als het afscheid definitief is.
Zo wordt andermaal Gods’ zorg voor ons, zijn nabijheid uitgedrukt.

Laten wij, met alle engelen en heiligen, Hem toezingen Die is en Die was en Die zal zijn.
Amen                                                                                                                                                       Pastoor R. Wagenaar

 

Preek 21e zondag door het jaar B   –     Over misbruik      –          Evangelie Joh. 6, 60-69

Wij hoorden in de evangelie het slot van de grote Eucharistische rede van Jezus waarin Hij in feite zegt dat Hij het brood des levens is en zichzelf aan ons blijft geven als voedsel voor ons geestelijk leven.
Wij ontvangen Christus werkelijk, wezenlijk en waarachtig in de H. Communie. Dat is het geloof van de Kerk en dat delen wij met de Orthodoxe Kerken van het Oosten.
Maar velen konden Jezus woorden over zijn vlees en bloed niet begrijpen en, zo hoorden we, ze trokken zich terug en verlieten het gezelschap.
Nu zijn er velen die zich terugtrekken uit de Kerk vanwege de misbruikschandalen.
En al is het niet nieuw, de recente onthullingen in Amerika zijn schokkend. Niet alleen dát het gebeurd is, met grote aantallen, is schandelijk. Dat men het binnenskamers wilde houden is op zich begrijpelijk. Niemand hangt graag de vuile was buiten – personen niet, instellingen niet. Maar dat het van hogerhand, dus door bisschoppen gesauveerd is en gecultiveerd, dat is onverdraaglijk. Er zouden bisschoppen ontslagen moeten worden of terugtreden.
In ons land is deze pijnlijke kwestie nu goed afgehandeld. De Kerk heeft miljoenen betaald, ruimhartig, ook als het juridisch niet meer hoefde vanwege het overlijden van de dader of ook in twijfelgevallen.
Wat doet onze overheid met het Samsonrapport? Daar hoor je niets meer over – zou de overheid betalen? En de sportclubs en andere organisaties waar misbruik was geconstateerd? Die lossen het intern op, hebben ze gezegd. We horen er niets meer over.
Alleen op de Kerk staan de schijnwerpers gericht, zoals afgelopen dagen nog in een programma werd gezegd: de Katholieke Kerk is misbruik. Het celibaat zou de oorzaak zijn, maar dan zou het om 40%/50% van alle priesters moeten gaan. Ondanks de grote aantallen gaat het om 4% van alle priesters in Amerika en bij ons was dat rond de 3%. Dat is 4 en 3% te veel, maar er blijkt ook uit dat de overgrote meerderheid, dus meer dan 95%, niets te verwijten valt – maar die wordt er wel op aangekeken.
Bij alle terechte emoties moeten we de rede wel hooghouden.
Buiten de Kerk schijnt het ook om 4% of meer te gaan – vaak moeilijker te traceren, zeker als het om achter de voordeur gaat.
Zeker, de Kerk verkondigt een hoge moraal, zoals Christus veeleisend is in de liefde ( altijd vergeven, vijanden liefhebben) en Hij zich scherp kan uitlaten. Ik denk nu aan een uitspraak bij de evangelisten: als iemand een van deze kleinen, die in mij geloven aanstoot geeft, zou het beter voor hem zijn als men hem met een molensteen in de diepste zee liet verdrinken.
En de Kerk is toch heilig? Dat zeggen we in de geloofsbelijdenis.
Dat betekent niet in de 1e plaats een ethische volmaaktheid maar duidt op de afzondering uit het wereldlijke vlak én op de verbondenheid met God.
In deze zin leven christenen en de Kerk wel in de wereld maar zijn zij niet van de wereld.
De Kerk is heilig omdat zij door God is gewild en zij naar Hem onderweg is.
Zij is heilig omdat Hij onwankelbaar trouw is. Zij is heilig omdat Christus onverbrekelijk met haar verbonden is. Zij is heilig omdat de heilsmiddelen aan haar zijn toevertrouwd. Door haar komen wij tot Christus.
Uit de objectieve heiligheid, moet de ethische verwerkelijking, de subjectieve heiligheid volgen.
“Weest heilig zoals Ik heilig ben”. Daartoe zijn wij gedoopten allen geroepen, maar wij bidden ook, en iedere keer, in de H. Mis: “Heer, let niet op onze zonden, maar op het geloof van uw Kerk”.
De Kerk heeft nooit de pretentie gehad dat ze uit een gemeenschap van zondelozen bestaat.
Desondanks is en wordt er zo ontzettend veel goeds door de Kerk gebracht, wereldwijd, in het onderwijs (scholen, universiteiten), in de ziekenzorg, in alle aspecten van nood, uit liefde voor Christus.
Wij mogen van de Kerk houden omdat zij ons zoveel geeft om bij Christus te komen, ons geloofsleven te voeden en te verrijken.
Het is door haar dat wij tot Christus komen. De pijn die wij voelen, brengt mij geen millimeter van mijn geloof af.
In tegendeel, met Petrus wil ik vandaag zeggen:
Heer naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.
Amen.
Pastoor R. Wagenaar

 

Preek op de 5e zondag van de vastentijd over de Tien Geboden – 18 maart 2018

De beelden zijn met paarse doeken bedekt. We gaan de lijdenstijd in.
De oproep tot bekering, tot inkeer, die altijd nodig is, klinkt nu nog indringender.
Ons verbinden met Christus die alles voor ons heeft geleden.
Ook en vooral om tot een persoonlijke verzoening met Hem te komen want ieder van ons heeft een persoonlijke relatie met Christus en ieder heeft vergeving nodig.
Daarvoor is nodig dat we bij onszelf te rade gaan, tot een gewetensonderzoek komen – als eerste stap – om helder te krijgen waar we tekort schieten in het grote en centrale gebod van ons geloof: de liefde jegens God en jegens onze naaste.
Ik wil met U de Tien Geboden doornemen want daar kunnen we alles vinden. Die tien levensgeboden, die tien woorden zijn topjes van ijsbergen die onder het water veel bergen.
De eerste drie geboden gaan over ons leven met God.
1e gebod. Ik ben de Heer uw God, gij zult geen afgoden vereren maar mij alleen aanbidden en beminnen.
Is ons leven gericht op God: de Eerste en de Laatste van ons leven. Hij is de enige. Als een mens zich aan God vasthoudt wordt hijzelf ook één, komt hij tot eenheid in zichzelf. God helemaal aanvaarden, met hart en ziel – is een levenslang proces. Waar God niet is, komen de afgoden in Zijn plaats: het “hebben”, consumeren, het uiterlijke, banale, moderne toverkunsten die uit den boze zijn – esoterie.
2e gebod. Zijn Naam niet misbruiken, niet vloeken, maar die Naam met eerbied uitspreken.
Geen valse eed zweren – dat is een belediging van God. We mogen uitkomen voor ons geloof, zeker op de grote momenten van ons leven.
3e gebod. De dag des Heren heiligen.
Dat is de zondag, niet zozeer de laatste dag van de Schepping als wel de 1e van de herschepping in Jezus’ Verrijzenis. Iedere zondag staat in het licht van Paaszondag. Dan komen we als gemeenschap samen om Eucharistie te vieren. De zondagsviering is verplicht: denk aan de gemeenschap en aan het geloof dat gevoed wordt in de viering en anders afsterft. Dichterbij God en bij elkaar.
4e gebod. Eer uw vader en uw moeder.
Dat is een oproep tot eerbied voor ieder die gezag belichaamt binnen een levende traditie. Wij zijn schakels in een groter geheel. Daarbinnen hebben vader en moeder een bijzondere plaats: zij hebben ons het leven gegeven en door hun liefde, inzet en hun werk veel voor ons gedaan in onze jeugd en jonge jaren, wat we toen tamelijk vanzelfsprekend vonden. Tegenwoordig gaat alles anders, eerder uit huis, samenwonen, niet trouwen, kerk vergeten, kleinkinderen niet meer gedoopt – veel stil verdriet. Veel meer spanningen tussen ouders en kinderen.
Het gaat ook om de zorg voor hun als zij ouder zijn, aandacht en dankbaarheid. Er is veel eenzaamheid onder ouderen.
5de gebod. Gij zult niet doden.
God vindt zijn glorie in de levende mens. God vraagt ons ons te onthouden van alles wat naar de dood ruikt. Elkaar geestelijk kapot maken, iemand pesten, tot zonde brengen.
We hebben ons lichaam uit Gods vaderlijke hand ontvangen: daarom zorgdragen voor ons lichaam: hygiëne, sport, rust, medische zorg.
Zelfdoding is objectief slecht in zich, subjectief is de schuld vaak verminderd.
Het leven van de naaste is heilig, jaloezie of wedijver is vaak het ontstekingsmechanisme dat tot conflicten leidt – Kaïn en Abel. Geen afgunst of toorn koesteren.
Kwetsbaar is het ongeboren leven in de moederschoot, zo het stervende leven en het gehandicapte leven. Het Kaïn-zijn zit in iedere vorm van geweld: kaping, gijzeling, terrorisme – ook geweldpleging in gewone relaties, nooit recht in eigen hand nemen, ook het leven van een moordenaar is heilig.
6e gebod. Gij zult geen onkuisheid doen.
Ook dit is een bevrijdend woord! Van Godswege geen mensonwaardige seks, maar zoals Hij die bedoeld heeft. De levenskracht daartoe is kuisheid, dat is een groeiproces. Genieten binnen de perken van het morele handelen, niet de ander gebruiken voor eigen genieten. Wanneer is er sprake van echte liefde, het geluk van de ander voorop stellen. Zelfbevrediging is ik-gerichte seks, niet goed.
Echte liefde en vriendschap staan in het teken van loslaten. Alles heeft zijn tijd nodig om te groeien, van verliefdheid naar echte liefde. Binnen het ja-woord is geslachtsgemeenschap er om het leven door te geven, natuurlijke geboorteregeling en verantwoord ouderschap gaan samen in trouw aan elkaar. Homofiele geaardheid valt buiten de morele beschouwingen, maar hoe ermee om te gaan. Niet zomaar oordelen, God heeft iedere mens lief.
Porno is banaal en vernederend, niet naar kijken, is niet goed.
7e gebod. Gij zult niet stelen.
In de 1e plaats geen mensen stelen, folterpraktijken, kinderprostitutie, gijzelen, mensen verdrijven. Er is zoveel armoede in de wereld, ook in onze rijke samenleving. Mensonwaardig, delen met minderbedeelden: vastenactie – Adventactie. Christelijke naastenliefde vraagt om inzet voor een rechtvaardige wereld, delen, belasting betalen. Godsdienst en rechtvaardigheid gaan samen.
8e gebod. Niet vals getuigen.
God is waarachtig en betrouwbaar. Zoals Hij ten opzichte van mij is, zo wij ten opzichte van elkaar. Oorspronkelijk rechtbank, maar het gaat om meer: liegen, lasteren, kwaadspreken, roddelen. We koesteren vooroordelen en plakken gauw etiketten op. Woorden kunnen opbouwen én verwoesten. Lege- en valse beloften, misleidende reclameslogans, racistische uitspraken.
Wat is het oordeel over mijzelf, wil ik mezelf zijn of doe ik mij anders voor dan ik ben. Het gaat om waarachtigheid.
9e gebod. Geen onkuisheid begeren.
10e gebod. Niet begeren wat uw naaste toebehoort.
In deze laatste twee geboden gaat het om zuiverheid van hart, echtheid, eerlijkheid. Deze twee geboden wijzen naar de diepe wortels van waaruit de andere geboden hun bezieling krijgen. Ze gaan over echte bekering tot Jezus’ liefde.
Schep in mij een zuiver hart mijn God, geef mij weer een vastberaden geest.(ps 51)
De reflectie, het gewetensonderzoek is een eerste stap om tot een persoonlijke verzoening met O.L. Heer te komen.
Dat u daartoe mag komen wens ik u toe, om een echt gezegend Pasen te kunnen vieren.

Pastoor R. Wagenaar

Preek Paasmorgen 2018

Als er wordt gesteld dat de christen een mens is van verwondering en bewondering, dan wil daarmee gezegd zijn dat wij zien wat anderen vaak niet zien. Te midden van een onttoverde wereld, waar alles zijn geheim dreigt te verliezen, kunnen christenen niet om het mysterie heen.
De mensen en de dingen zijn méér dan ze op het eerste gezicht lijken.
Deze ongewone blik is ons gegeven. God zelf heeft ons gevoelig gemaakt voor zijn geheimen.
Kennen andere mensen de verwondering dan niet? Zeker wel maar voor de christen geldt het op een bijzondere manier.
Want alles wat leeft en beweegt zegt uiteindelijk iets over God. In de eerste plaats de schepping, de ordening en de schoonheid ervan, welke laatste in nieuwe kleurenpracht zich toont.
Maar in de geheimvolle dagen van het Paastriduum hebben we ook een harde werkelijkheid gezien van kwaad en lijden, van verlatenheid, ook nabijheid, en vooral van werkelijke liefde die totale zelfgave is.
Zo heeft God zich in Christus geopenbaard, als een God die het lijden met ons deelt, die van ons houdt.
De weg van bewondering en verwondering is wel een Paasweg: hij loopt over Goede Vrijdag en het kruis maar de dood is niet onveranderd gebleven – Jezus heeft die een nieuwe vorm gegeven.
De dood is hervormd in een portaal naar eeuwig leven.
Door Christus’ dood is de dood zelf in dienst gesteld van eeuwig leven. Zo is voor een christen, naast alle verdriet, de dood goed nieuws, doorgang naar eeuwig leven. Dat is een positief zicht op de dood, doorgang naar de volheid voor die Christus willen toebehoren. Maar zo wordt in onze huidige samenleving niet over de dood gesproken.
Eerder negatief: einde, afgelopen, uit.
Een vreemde levensmoeheid doet zich voor, terwijl het toch een oerdrang in de mens is om te leven en te overleven en daartoe het schier onmogelijke te kunnen.
Miljoenen zijn op de vlucht in de wereld om te overleven waarvoor zij de meest barre omstandigheden moeten verdragen, en hier in onze verwende rijke samenleving hoeft het niet meer en duiken steeds weer nieuwe initiatieven en mogelijkheden op om er maar een punt achter te zetten, want de kinderen van de duisternis zijn slimmer dan die van het licht.
Leven of dood, dood of leven, wat willen we, duisternis of licht?
Sterven om te leven dat is het Paasmysterie waarin wij mogen staan en dat mysterie doortrekt eigenlijk ons hele leven op verschillende niveaus en gradaties: van moeten afzien om iets te bereiken, offers brengen om tot iets te komen, tegenslagen en teleurstellingen overwinnen, lichamelijk en geestelijk lijden doormaken en na alle ellende weer gezond zijn, met een handicap leren leven, eenzaamheid omzetten in iets positiefs. Altijd is er een wil nodig om tot iets te komen.
Eenzaam maar niet alleen, schreef koningin Wilhelmina. En dat bedoelde zij in gelovige zin.
Maar is dat niet het pijnlijke punt van onze geseculariseerde samenleving en de kern ervan zoals Dostojevski al in 1843 schreef: Als God verdwenen is en de mensen wezen zijn geworden, als de grote idee van de onsterfelijkheid is opgegeven, dan rest er eigenlijk weinig meer dan het hier en nu.
Maar wat kan het geloof ons tot leven brengen, wat we nu beleven en telkens weer vieren en wat ons doet beseffen dat ons leven zoveel verder reikt en meer is dan de dingen van hier die aardig en mooi kunnen zijn maar ook veel sores en alledaagsheid in zich dragen en uiteindelijk niet een echte diepe vrede kunnen geven. Die vinden we hier en niet in de drukte en het lawaai van de wereld.
Nogmaals het gaat niet om een zoete droom waarin ik u wil onderdompelen. Nee het paasgeloof is levensecht, dat wil zeggen dat wij christenen niet met een grote boog om lijden en kwaad heengaan. Het werd op Goede Vrijdag gezongen ( en die zin staat achter in de kerk op de muur) : Crux ave, spes unica.
We kunnen niet om het kruis heen. Sterker nog, er werd dus gezongen: Wees gegroet, o Kruis, onze enige hoop. Per crucem ad lucem, dat is door het kruis tot het licht.
Het kruissymbool is getuigenis en zegeningsgebaar terwijl het in Jezus tijd instrument van schande en dood was.
Zo mogen wij opzien naar onze Verlosser en zijn onze kruisbeelden een communicatiemiddel met Onze Heer in het heden.
Moest de mens dit alles niet lijden om zijn glorie te kunnen binnengaan, houdt Jezus de Emmaüsgangers voor – een van de mooiste paasevangelies, zoals wij die de komende week horen.
Het lijden is niet weg te denken uit ons leven, maar hoe gaan we er mee om – verwijtend, in zelfbeklag of ontdekken we ook hierin de verwondering, dat het ons leven kan verrijken en verdiepen – zeker als we het in geloof kunnen dragen.
Dan blijft ook de aandacht voor de ander en kunnen de nabijen in verwondering en bewondering getroost worden door de zieke. Zeg niet te gauw: dat kan ik niet, dat zou ik niet kunnen.
We kunnen zoveel meer dan we onszelf bewust zijn, als we ons er maar voor openstellen.
De verwondering was er in het duistere negende uur van Goede Vrijdag: waarlijk deze mens was een zoon van God, zei de honderdman.
Vrees en vreugde overrompelt de leerlingen bij Jezus verrijzenis.
Die maken beide deel uit van de paasverwondering waarin wij mogen leven, omdat Hij verrezen is.
Het leven en de vreugde zijn het laatst voor allen die Christus willen toebehoren en die Hem trouw zijn zoals Hij het was aan ons.
Amen.                                                                                                      Pastoor R. Wagenaar

 

Heilig Hartdevotie?

Juni is de maand van de H. Hartdevotie. We herinneren ons de zoetelijke beelden en afbeeldingen van Jezus, wijzend op zijn hart. Ouderwets, voorbij? Eerlijk gezegd had ik er nooit zoveel mee. Echter onlangs las ik er een geschrift over. Er ging een wereld voor mij open en ik besefte andermaal de rijkdom van ons geloof, als een weelderige tuin waar steeds weer nieuwe bloemen ontluiken door kruisbestuiving. Want de devotie tot het H. Hart mag eerst tot een brede bloei zijn gekomen  in de 17de  eeuw in Frankrijk door de H. Margaretha Maria Alacoque (Paray-le-Monial), de wortels reiken tot diep in onze christelijke geschiedenis, zelfs tot in het Oude Testament.

Al in de vroege Middeleeuwen waren er mystiek begenadigden die spraken over het hart van Jezus als een Persoon. Zij spreken over het unieke hart – onvergelijkbaar -, het diepzinnig hart – onpeilbaar – en het gewonde hart dat lijdt. Of men heeft het over het menselijk hart vol gevoelens van blijdschap, dankbaarheid, droefheid en tenslotte het aanbiddenswaardige hart (‘Cor Jesu adorabile’).

Er waren ook privé-openbaringen die inhoudelijk natuurlijk niet iets toevoegen aan de Goddelijke openbaring, maar wel het gelovige hart kunnen verwarmen en gereedmaken voor het Evangelie. Elk persoonlijk charisma wordt gegeven tot nut van het geheel, tot opbouw van de geloofsgemeenschap.

De H. Gertrudis van Helfta, de eerste grote getuige van de cultus van Jezus’ hart in het Westen (14de eeuw) kreeg openbaringen op de feestdag van de apostel Johannes! Dat is opvallend, want het is Johannes die volgens kerkvaders Orosius en Augustinus nadrukkelijk mocht spreken over het geheim van Christus. Johannes immers legde bij het Laatste Avondmaal zijn hoofd te rusten aan Jezus’ borst (Joh. 13: 25) en zei verderop (Joh. 19: 34) dat er bloed en water uit de geopende zijde van Christus stroomde.

Wat zijn de bijbelse wortels van de Heilig Hartdevotie? Het volk van Israël had een sterk Godsbesef: Hij is er, Hij is heel nabij en Hij keert zich naar ons. Hij is onze God en wij zijn volk. Het besef dat Gods’ gedachten, gedachten zijn van Gods hart, vinden we in de historische boeken en ook in de psalmen. Het hart is Gods aandacht voor ons met heel zijn Persoon en als God beroep doet op het hart van de Israëlieten, kan men ‘hart’ vervangen door ‘gij’. Door heel de heilsgeschiedenis beleeft Israël God als Iemand die, gedreven vanuit zijn hart, zijn volk leidt. In het boek Job lezen we: uw God, Job, is wijs van hart ook al begrijp je niet wat jou overkomt. In Genesis 6: Toen God zag hoe die mens beschadigd wegging uit het paradijs, had Hij spijt in zijn hart. In de profeet Hosea zegt God: Hoe zou ik u kunnen overleveren, Israël? Mijn hart slaat om. In het Hooglied: draag mij als een zegel op uw hart. In het boek spreuken: mijn zoon, geef mij uw hart.

Een orthodoxe jood bidt elke dag, naar Jeruzalem gekeerd: Hoor Israël, Ge zult uw God beminnen met heel uw hart… De geboden die ik voorschrijf moet gij prenten in uw hart. Voor Israël is duidelijk dat met ‘hart’ niet alleen het fysieke orgaan is bedoeld, evenmin slechts een symbool van affectieve liefde, maar dat het staat voor heel de mens. “Cogitationes Cordis…” De gedachten van Gods’ hart gaan van geslacht tot geslacht, zo begint de introïtus (intredezang) van het Hoogfeest van het H. Hart, dit jaar op 12 juni.

Deze korte schets en een kleine keuze uit de vele Bijbelse teksten over Gods’ hart en het onze moge ons nog meer bewust maken van Gods’ liefde voor ons. Dat het moge zijn van hart tot hart.

Pastoor R. Wagenaar

Sacramentsdag

Wat is een H. Mis, een Eucharistieviering? werd in een katholiek gezelschap gevraagd. –stilte- We komen samen om te bidden, mompelde tenslotte iemand. Om God te eren, voegde er iemand aan toe en zijn hulp te vragen. Dat is allemaal waar maar dat doen we altijd als we bidden, ook in vespers of lof of welk gemeenschappelijk gebed ook. Maar wat is nu het geheel eigene van een Eucharistieviering? Waarom is de H. Mis de meest centrale en kenmerkende viering van de katholieke Kerk en trouwens ook van de orthodoxe kerken in het Oosten? Omdat we daarin het Pasen van Jezus – zijn dood en verrijzenis – gedenken én tegenwoordig stellen in de tekenen van brood en wijn. Het is de viering van de kern van ons geloof. Witte Donderdag, Goede Vrijdag, Pasen vallen samen in de Eucharistie. Want het ene kruisoffer van Goede Vrijdag blijft onder ons aanwezig in de tekenen van brood en wijn zoals Jezus bij het Laatste Avondmaal over het brood zei: ‘neemt en eet, dit is mijn Lichaam dat voor u gegeven is ‘ en over de kelk met wijn: ‘drinkt allen hier uit want dit is mijn Bloed dat voor u vergoten wordt tot vergeving van de zonden’.  Zo gaf Hij de volgende dag zijn Lichaam en Bloed voor ons aan het kruis. En Jezus voegde er bij het Laatste Avondmaal aan toe: ‘Blijft dit doen om Mij te gedenken’. Hij wilde dat het ene kruisoffer –het letterlijk cruciale moment in de geschiedenis van God met de mensen- zo onder ons aanwezig zou blijven, sacramenteel  d.w.z. onder tekenen maar ook echt zoals ieder sacrament onder tekenen (water b.v. bij de doop) ook werkelijk tot stand brengt wat het aangeeft. Alle sacramenten, het hele sacramentele leven van de Kerk, ligt vervat in het kruisoffer van de Heer, in het Eucharistisch offer dat onze Verlosser instelde in de nacht dat Hij werd overgeleverd om door alle eeuwen heen het kruisoffer te laten duren totdat Hij wederkomt. Daarom is de Eucharistie  bron en hoogtepunt van alle sacramenten, van heel het christelijk leven. Alles vloeit uit haar voort en alles leidt er weer naartoe. Ze is maaltijd en offer. Brood en wijn staan in het hart van de schepping. Ze vatten in zich samen wat de aarde te bieden heeft. Het brood geeft de mens leven en bestaan, de wijn schenkt hem vreugde. Gaven van de schepping, werk van onze handen en wij bieden ervan aan God aan – een offer maar het echte offer is de zelfgave. Bij de broodvermenigvuldiging bleek al hoe Jezus allen redt uit de nood en in overvloed geeft. Zo ook bij de bruiloft te Kana: overvloed en het beste – de nieuwe, tweede schepping kondigt zich al aan. Bij het Laatste Avondmaal komen alle lijnen samen: die van brood en wijn, van maaltijd en offer, van gave en zelfgave, van schepping en verlossing, van vroeger, nu en later – totdat Hij wederkomt. In de Eucharistie is Christus werkelijk tegenwoordig, door de kracht van zijn woord en de H. Geest zoals de Geest steeds wordt afgesmeekt en in het bijzonder door handoplegging om tot leven te brengen, in de Eucharistie, bij wijdingen. Natuurlijk is Christus op vele wijzen aanwezig in de Kerk: in zijn Woord, in haar gebed (waar 2 of 3…), ook in de armen, zieken en gevangenen (wat ge aan de …..), in de sacramenten, in de persoon van de priester. Maar nergens op die intense manier zoals in brood en wijn. In brood en wijn is Christus geheel en zelf aanwezig. Daarom knielen wij neer bij het Eucharistisch Gebed en knielt de priester na de consecratiewoorden: niet voor brood en wijn maar voor Christus in de tekenen van brood en wijn –door Christus’ eigen woorden. Als wij Hem zo in de H. Communie ontvangen hebben, verwijlen wij in stil intiem gesprek bij Hem. Ja, wij geloven in Jezus’ blijvende aanwezigheid in de H. Hosties die overblijven en die van oudsher naar zieken werden gebracht en ook weer gegeven worden in een volgende Eucharistieviering. Sinds de 13e eeuw heeft dat een vervolg gekregen in de aanbidding van de Eucharistische Heer in de monstrans. Zo zullen wij deze Hoogmis afsluiten met een korte zegetocht door de kerk om de Heer te eren, al zingend en biddend. Tantum ergo zingen wij tenslotte: eren wij dan diep gebogen dit zo heilig sacrament.Amen.

Pastoor R. Wagenaar

 

 

Maria Tenhemelopneming

Het hoogfeest van Maria Tenhemelopneming dat wij op 15 augustus vieren, is het vierde grote feest in het jaar van de Kerk na Kerstmis, Pasen en Pinksteren. Wij vieren dat Maria met ziel en lichaam ten hemel is opgenomen.
De nieuwe catechismus van de Katholieke Kerk zegt: De Tenhemelopneming van Maria is een bijzondere deelname aan de verrijzenis van haar Zoon en een vooruitlopen op de verrijzenis van de andere christenen (nr. 966).In 1950 werd de Tenhemelopneming van Maria een dogma, een kerkelijk leerstuk van de hoogste rang dat katholieken gehouden zijn te geloven – maar er gaat een lange geschiedenis aan vooraf die al in de 5e eeuw begint, in het Oosten waar de hele Mariaverering haar wortels heeft.
De volkse verering van de Moeder Gods, die er vanaf het begin is geweest, krijgt een kerkelijke erkenning op het Concilie van Ephese (431) dat Maria erkende als de Theotokos (in het Grieks), Mater Dei (in het Latijn), Moeder Gods.
Maria had niet de mens Jezus, maar de Godmens Jezus gebaard. Door deze officiële erkenning heen is er een apocriefe literatuur waarin de parallel Eva – Maria wordt doorgetrokken van Adam en de tweede Adam (Christus) waarover Paulus al spreekt.
De band van Maria is zo hecht met Christus dat die niet door dood kan worden verbroken. Haar lichaam gaat niet tot ontbinding over maar wordt bij Christus in het paradijs opgenomen, zo gelooft men.

Begin 5e eeuw verschijnt er een boek De Transitu Beatae Mariae Virginis (BMV) oorspronkelijk in het Syrisch. Over de overgang van Maria van dit leven naar het andere.
Dan is in Syrië al een gedachtenis van de Moeder Gods als feest bekend, een feest dat zich onder invloed van het Concilie van Ephese over het hele Oosten verspreidt en de voorganger  is van het feest van de koimesis (het ontslapen van Maria) zoals de Grieken het noemen ofwel de dormitio in het Latijn.
De apocriefe geschriften noemen eensgezind Jeruzalem als de plaats waar Maria gestorven is en waar de orthodoxen aan de voet van de Olijfberg het zogenaamde graf van Maria in een grot vereren. Volgens een andere traditie is Efese, in het huidige Turkije, de plaats van het ontslapen van Maria.

In diezelfde eeuw  ±434 is in Jeruzalem op 15 augustus het feest bekend van Maria Theotokos. Iets later  wordt deze gedachtenis tot die van het heengaan van Maria uit dit aardse leven en haar overgang naar de hemelse glorie.
In het Westen is pas eind 6e eeuw Gregorius van Tours de eerste Westerse schrijver die het eerder genoemde boek De Transitu BMV blijkt te kennen.
In Rome is het feest van 15 augustus rond 650 door Paus Theodorus ingevoerd, die tot de clerus van Jeruzalem had behoord.
De uit Syrië afkomstige Paus Sergius heeft een aantal jaren later op het feest van de Dormitio van de Moeder Gods een processie ingesteld, zoals in een document wordt vermeld.
Een belangrijke getuigenis van het geloof van de Kerk van Rome is het gebed Veneranda van dezelfde Paus:  “Eerbiedwaardig is in onze ogen, Heer, het feest van deze dag  waarop de Heilige Moeder Gods de tijdelijke dood onderging maar niet door de banden van de dood kon worden weerhouden omdat zij uw Zoon, onze Heer, heeft gebaard die uit haar het vlees heeft aangenomen”.

Onder Karel de Grote (9e eeuw) wordt de Romeinse liturgie in het hele Rijk ingevoerd en daarmee ook dit feest over het hele Westen verbreid.

Daarna treedt er enige stilstand op rond het gegeven, vooral onder invloed van Paschasius Radbertus, omdat de H.Schrift niets over  het lot van  Maria’s lichaam meedeelt. Wel wordt aan de onbederfelijkheid ervan vastgehouden.
Theologische twijfels belemmeren niet het geloof van het volk en dat wordt in de 12e eeuw bevestigd door een theologisch werk, De Assumptione BMV waar gezaghebbende schrijvers als Abelard en Hugo van St. Victor mee instemmen, alsook in de 13e eeuw de theologen van de hoogscholastiek.

Schriftuurlijke aanknopingspunten vinden we in Genesis 3,15 “vijandschap sticht ik tussen u en de vrouw, tussen uw kroost en het hare”. Maria is de nieuwe Eva, de begenadigde (Lc. 1,28), de gezegende onder de vrouwen (Lc. 1,42), van nu af prijzen alle geslachten  mij zalig (Lc. 1,48), brieven van Paulus (1 Kor. 15,20-26 etc.), Apocalyps (11, 19a; 12,1-6a). Ook in het Oude Testament  het Hooglied en de Psalmen (ps. 45 o.a.).

Het feest werd dus gevierd over de hele Kerk maar er was nog geen zekerheid omtrent de lichamelijke Tenhemelopneming.
Op het 1e Vaticaans Concilie (1870) was er al een petitie van 200 bisschoppen om een dogmatische definitie. Die vond haar bekroning in de dogmaverklaring door Paus Pius XII op Allerheiligen, 1 november, 1950.
Zo zien we hoe door de eeuwen heen dit geloofsgegeven ontstaan is,  vorm heeft gekregen en na 1500 jaar bevestigd is waardoor het niet meer zweeft maar in de kern verankerd ligt in de geloofsleer van de Kerk.
Trouwens ook de orthodoxe kerken van het Oosten kennen het feest en vieren het met ons op 15 augustus.

De belofte van Pasen is in de Tenhemelopneming van Maria bevestigd en zo ook onze toekomst.
15 Augustus is het feest van de triomf van Gods’ menslievende genade.

Pastoor  R.Wagenaar