PREEK VAN PASTOOR/PLEBAAN R. WAGENAAR, GEHOUDEN OP ZONDAG 9 MEI 2021 IN DE                ST. JOZEFKATHEDRAAL TE GRONINGEN.

6e Zondag van Pasen -B

Wij houden niet van geboden en verboden. Dat roept naast begrip, tenminste irritaties op, weerstand en verzet, zoals in dit ruime coronajaar steeds weer blijkt.

Wij koesteren onze vrijheid, zoals wij die de afgelopen week weer hebben gememoreerd en gevierd.

Jezus spreekt vandaag ook over Geboden, als voorwaarde om in Zijn liefde te blijven. We denken aan de Tien Geboden, die wij vroeger uit het hoofd leerden en we kenden het verhaal van Mozes, die van de berg Sinaï kwam, na daar veertig dagen met de HEER verkeerd te hebben, met de twee stenen tafelen, waarop die Geboden gegrift stonden.

Hoe moeten wij die Tien Geboden zien?

Jarenlang had God Zijn uitverkoren volk begeleid. Vanuit die nabijheid groeide een steeds duidelijker besef van de echte waarden en voornaamste eisen van het leven. De Tien Geboden zijn daarom én Goddelijke Openbaring én menselijke ervaring. Ze zijn gegroeid uit Gods reddend handelen met Zijn volk en opgeschreven op basis van die jarenlange ervaring en nabijheid. Ze zijn niet van buitenaf opgelegd, nee, ze drukken de meest eigen eisen van het leven zélf uit – Geboden ten leven. Ze liggen in onze natuur, bijvoorbeeld om anderen het leven te gunnen, je ouders te eerbiedigen, om eerlijk te zijn, rechtvaardig, waarheid te spreken, seksualiteit menswaardig te ordenen, God te eren en samen te komen om de Dag des Heeren te vieren. Levensgeboden wijzen naar écht menselijk geluk, waarin je steeds kunt groeien.

Er zijn grensgeboden: niet doden, niemand.

Er zijn streefgeboden: anderen geven, wat wij zelf zouden willen krijgen.

Het vraagt om gewetensvorming, omdat ons eigen “ik” zich altijd weer aan ons opdringt en om voorrang vraagt, als een soort stoorzender. De mens heeft een eigen verantwoordelijkheid en een vrije wil.

Het is niet zo, zoals nu vaak wordt gesteld, dat “ik’ goed ben en de omstandigheden, opvoeding roet in het eten hebben gegooid. We zijn natuurlijk altijd mede door anderen gevormd. Maar ieder mens heeft een geweten. Dat is een andere stem in ons, die zachter klinkt dan mijn stem, die wil goedpraten, maar die toch duidelijk is en zegt: dit is goed en dat is verkeerd. St. Augustinus noemt het Gods stem in ieder van ons. Naar die stem moeten we willen luisteren en vervolgens handelen. Mensen zeggen tegenwoordig zo gemakkelijk: Wat doe ik nu verkeerd? Alsof we in een paradijs van liefde leven. De werkelijkheid is toch bepaald anders. Al in gezinnen, families – er is vergroving en verharding en er zijn veel heftige emoties.

Komen we nog toe aan reflectie, aan nadenken over ons handelen en voor ons gelovigen: met God voor ogen. Bijvoorbeeld vóór het slapen gaan –  hoe ging de dag vanaf het opstaan? Heeft God daar ergens een plaats gehad in een gebed, hoe ging ik met anderen om, thuis, op mijn werk, in sport en ontspanning?

We hebben altijd bekering nodig van onze “ik” gerichtheid. Dat vraagt om voortdurende gewetensvorming. Vergeving moeten wij van elders ontvangen; die kunnen wij niet aan onszelf schenken. Zoals we aan het begin van de H. Mis zeggen in de schuldbelijdenis: dat ik gezondigd heb in woord en gedachte, in doen en in laten. Dat ik niet goed heb gedaan, dat ik beter had kunnen doen.

De eerste drie Geboden gaan over ons leven met God. Er is één God, één absoluut Middelpunt. Als we God niet meer aanvaarden, zoals in deze tijd gebeurt, vallen we terug op deelaspecten van de waarheid: natuur, erotiek, esoterie. Waar God niet is, komen afgoden.

Zijn Naam met eerbied gebruiken – geen grofheid. De Zondag, afstraling van Paaszondag, dag van rust, om God te eren en in ontspanning samen te zijn.

De andere zeven Geboden gaan over ons leven met elkaar. Eer uw vader en uw moeder, omdat zij uw ouders zijn, ons het leven hebben gegeven en zorg in onze jonge jaren – zorg daarom voor hun oude jaren! Maar ook andersom: kinderen in hun eigenheid aanvaarden – een warm thuis bieden.

Het vijfde Gebod: Gij zult niet doden. Ireneus van Lyon, Kerkvader in de 2e eeuw: “God vindt Zijn glorie in de levende mens, maar een mens vindt pas het echte leven in het zien van God”. Wij moeten elkaars leven bevorderen,  niet kapot maken. Ook mijn lichaam heb ik gekregen, ik moet er goed voor zorgen. Het leven van een ander is heilig. Abortus, euthanasie is verkeerd. In deze jaren is menselijk leven niet meer heilig, maar relatief geworden.

Het zesde Gebod:  Geen onkuisheid doen. Geen mensonwaardige seksualiteit. Het doorgeven van het leven. Seksualiteit is er niet zo maar voor de “fun”. Echte Christelijke liefde en echte vriendschap is niet zichzelf zoeken, maar zichzelf loslaten.

Trouw is een centrale waarde. De hele Bijbel is één groot verhaal van Gods onvoorwaardelijke trouw. Vruchtbaarheid moeten we niet louter biologisch opvatten, maar zien als meewerken aan Gods scheppende liefde.

Het zevende Gebod: Gij zult niet stelen. Oorspronkelijk: Mensen stelen, mensen als ding gebruiken en dat gebeurt nog steeds door folterpraktijken, prostitutie, kindsoldaten enz. Het vraagt om rechtvaardigheid te bevorderen. Geen diefstal, roofovervallen, steekpenningen, maar het geleende teruggeven, betrouwbaar zijn.

Het achtste Gebod: Niet vals getuigen. Ook niet liegen, roddelen, lasteren. Het valt me op, dat mensen niet meer weten, wat dat is. Kwaadspreken van iemand, die iets niet gedaan heeft. Een tong kan een vuurtongetje worden en een heel bos in brand steken. Eén verkeerd woord kan familievetes oproepen.

Het negende en tiende Gebod: Niet begeren, onkuisheid, wat een ander toebehoort, geen jaloezie, na-ijver, innerlijke trouw en eigenlijk gaat het om de zuiverheid van het hart.

Als we de Tien Geboden zó bezien, dan blijkt het uiteindelijk maar om één Gebod te gaan: Liefde t.a.v. God en t.a.v. elkaar!

Dat we daaraan blijven werken en ook weten, dat God altijd wil vergeven.

Amen