PREEK VAN PASTOOR/PLEBAAN R. WAGENAAR, GEHOUDEN OP ZONDAG 7 MAART 2021 IN DE         ST. JOZEFKATHEDRAAL TE GRONINGEN

3e Zondag van de Veertigdagentijd – B

“Ik laat me niet kennen” zeggen mensen tegen zichzelf. “De schijn hooghouden”, “Blijven lachen, ook al huil je van binnen” – dat zijn bekende uitdrukkingen in onze menselijke omgang; ook raken ze een menselijke waarheid, n.l. dat we niet altijd zijn, zoals we ons voordoen. We hebben de neiging, een masker op te zetten, onze ware gevoelens en gedachten te verbergen. Zo kunnen wij ons verkijken op mensen, ons in hen vergissen en natuurlijk ook andersom. We zijn ook een mysterie voor onszelf en we kennen onszelf lang niet zo goed, als we ons verbeelden.

Anderen kunnen ons ineens raken met een opmerking. We blozen bij herkenning, of worden boos, soms zonder precies te weten waarom en we kunnen ons verbazen over onze eigen reacties. Waarom reageer ik zo fel?  Vaak zijn er andere verdrongen, weggeduwde redenen. De mens is een complex wezen. St Paulus zei: “ Want het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik”.

God kent de mens door en door. Christus doorziet hem feilloos, zoals Hij elders in het Johannes Evangelie zegt in een passage, die met het Evangelie van vandaag overeen komt, waar staat, dat velen in Hem begonnen te geloven om de tekenen, die Hij deed. Nee, zegt Jezus, niet om de tekenen zoeken jullie Mij, maar omdat u volop hebt kunnen eten bij de wonderbare broodvermenigvuldiging. De mensen, die Jezus rond het Pascha gingen geloven, hielden hun bedoelingen verborgen, maar Jezus kon in hun hart kijken en besloot, zo hoorden we, zich niet aan hen toe te vertrouwen.

Jezus wil een levensechte relatie met ons.  Voor Hem hoeven we geen maskers op te houden. Want een werkelijke relatie met Hem, zoals iedere serieuze relatie, kan alleen tot stand komen, als wij onszelf zijn en daarvoor moeten we naar Hem toe komen, niet alleen met onze mooie kant, met wat goed is, maar ook met onze zwakheid, onze zelfzucht, onze zonde. Hij wil, dat we eerlijk tegenover Hem zijn, zodat Hij ons kan genezen en een nieuw begin met ons kan maken.

Maar hoezo? Wat is er dan mis met mij? Je hoort het steeds meer zeggen: wat doe ik voor kwaad? Ik ben toch een goed mens? Maar is er werkelijk nog reflectie, nog nadenken over ons handelen, ons leven en bewegen?

We zien, hoe iedereen leeft, anderen in onze omgeving en daar sluiten we ons bij aan, want we willen vooral geen buitenbeentje zijn en iedereen doet het toch zo?

Maar als Christenen moeten we ons niet zozeer toetsen aan wat “men” doet of denkt, maar aan wat Christus van ons vraagt, naar wie wij heten.

Dát is het grote Gebod van de liefde onderhouden. Ja, ja, maar dat is zo’n algemene kreet, wat moet ik daar mee?

Nou, in de Tien Geboden ligt dat grote Gebod van de liefde a.h.w. uitgewerkt in grote lijnen. Want ze betreffen ons leven met God in de eerste drie en ons leven met elkaar in de overige zeven. Ja, ze betreffen ons leven. Daarom worden ze ook wel de: “Geboden ten leven”  genoemd.

Het zijn geen verplichtingen, die ons van buitenaf worden opgelegd, maar de ware levenswaarden, die verankerd in ons liggen: een besef van God, respect voor het leven en de zaken van anderen, echtelijke trouw en een diep verlangen naar zuiverheid en eerlijkheid. Het zijn waarden, die in de mens geworteld liggen, die in zijn “genen” zitten, zoals we tegenwoordig zeggen.

De Tien Geboden betreffen ons “zijn”, dat komt van God en is verbonden met de “Zijnde”, die God is. Zoals St. Paulus zegt: “In Hem leven, bewegen en zijn wij”.

Het groeiend bewustzijn daarvan is uitgekristalliseerd in de Tien Geboden.

Dus het hele geweten van de mens kan op de vingers van twee handen worden geteld!

Dáár liggen onze waarden en normen van oudsher. Liefde en eerbied hebben voor onze Heer en Schepper. En waar de Geboden in een negatieve vorm zijn geformuleerd: “Gij zult niet doden”, geven ze een ondergrens aan, een waarde van het leven bijvoorbeeld, dat beschermd moet worden. Maar ook gaat het om een positieve kant, n.l., dat er dus zorg voor het leven moet zijn.   Zo is het zesde Gebod oorspronkelijk: “Gij zult geen echtbreuk plegen” (als ondergrens), maar de Kerk heeft het zesde Gebod steeds gezien als een Gebod, dat het hele domein van de menselijke seksualiteit omvat. De formuleringen zijn kort en krachtig, maar ze zijn als de top van een ijsberg: een aantal onderscheidingen en afleidingen volgt uit ieder ervan.                                                      Bijvoorbeeld het achtste Gebod: “Gij zult niet vals getuigen”. Dat gaat niet alleen over een rechtbank, maar vooral over liegen, lasteren, roddelen, afgaan op geruchten en hoe gemakkelijk maken mensen zich daar schuldig aan.

De Wet van de Tien Geboden is de wet van ons geweten. En dat geweten is die andere stem in ons, Gods’ stem, zegt St. Augustinus, die ons vrij scherp voorhoudt, wat goed is en wat verkeerd en slecht is.

Naar díe stem moeten wij willen luisteren en vervolgens handelen.

Dan gaat het dus om te onderscheiden, wat mijn verlangens en begeerten zijn én wat Christus van ons vraagt.

Als een goede moeder helpt de Kerk ons, om ons geweten te vormen. Zij is geen barrière tussen God en ons. Zij wijst ons juist de weg naar het werkelijke leven met Hem. Als een goede moeder kan zij soms ook streng zijn, omdat ze het beste wil voor haar kinderen.

Ja, wij gaan voor het beste: EEUWIG LEVEN.

Dát is, wat wij met Pasen gaan vieren!

Amen