PREEK VAN PASTOOR/PLEBAAN R. WAGENAAR, GEHOUDEN OP ZONDAG 7 FEBRUARI 2021 IN DE    ST. JOZEFKATHEDRAAL TE GRONINGEN.

Vijfde Zondag door het jaar – B

We zijn allemaal vertrouwd met het beeld van een geduldige Job (1e Lezing). Hij liet immers alle rampen, die hem troffen, lijdzaam over zich heen gaan, zoals we in het naar hem genoemde Bijbelboek lezen. En dat waren er nog al wat! Hij verloor zijn kinderen, zijn vee en al wat hij bezat. Tenslotte eindigde hij op een mestvaalt, terwijl zijn lichaam met zweren overdekt was. Hij vond alleen nog maar een potscherf om zich mee te krabben. Die eens zo rijke, welvarende Job, trouw aan God.

Toen begon hij zich toch te beklagen en wie zou hem dat kwalijk nemen? Hij vervloekte zelfs de dag, waarop hij geboren was.

Drie vrienden komen dan 7 dagen zwijgend bij hem zitten om met hem te rouwen. Maar troosten kunnen ze hem niet. Integendeel, ze zeggen daarna tegen hem, dat hij al die ellende wel aan zichzelf te wijten zal hebben. Want God beloont nu eenmaal het goede en straft het kwade. Dan komt Job in opstand. Hij door God gestraft?  Waarom dan? Heeft hij niet altijd als een rechtvaardige geleefd?

Dat God zonden straft door ze een ziekte of een andere kwelling te sturen, is een idee, dat nog steeds bij veel Christenen leeft. Men heeft altijd geworsteld met het probleem van het kwaad en het lijden.

Als er een God bestaat, blijft men zich afvragen, waarom is er dan zoveel ellende op deze wereld? Hij kan dit toch voorkomen? Of is Hij dan toch een wrede, straffende God? Maar God is geen goede fee, of tovenaar. Je zou beter kunnen zeggen, dat al het lijden de keerzijde betekent van onze zonden. Tijdens de watersnoodramp op 1 februari 1953, weigerden dan ook godvrezende Christenen in Zeeland zich te laten redden. Zij bleven op het dak van hun huis zitten, terwijl het water steeg. Want, zeiden ze, deze storm is een straf van God, die wij lijdzaam als Job moeten ondergaan. Dergelijke reacties waren er ook van sommige predikanten na de tsunami in Zuidoost Azië enige jaren geleden en vaker na natuurrampen. Achter zo’n redenering zit dus het idee, dat God hier op aarde het goede loont en het kwade straft. Ook de vrienden van Job waren hiervan overtuigd. Maar Job zelf weigert dat te geloven. Hij weet, dat hij onschuldig lijdt en hij daagt God uit zich hiervoor te verantwoorden.

Waarom doet U mij dit aan, roept hij vertwijfeld uit. Geef eens antwoord, verdedig Uw handelen.

Enige jaren geleden stond in de krant het verhaal van een Italiaanse Zuster in Oeganda. Daar en ook in andere Afrikaanse landen woedden al jaren bloedige stammenoorlogen. Tijdens één van die oorlogen roofden rebellen 139 meisjes uit de kostschool van Zuster Rachelle. Zij moesten op alle mogelijke wijzen beschikbaar zijn voor de soldaten. God, hoe hebt U dit kunnen toelaten?! riep Zuster Rachelle met Job uit.

Maar we weten, wat God hem toen antwoordde: “Wie ben jij, kleine mens, dat je Mij ter verantwoording kunt roepen? “

Als mensen beweren, dat Ik een God van de wraak ben, dan maken zij een eigen vals beeld van Mij. Ik ben degene, die voor jullie mensen ongrijpbaar blijft. Mijn gedachten zijn niet jullie gedachten en mijn wegen niet jullie wegen. Maar Mijn liefde en trouw blijven onwankelbaar.

Inderdaad, wij mensen proberen de kloof tussen Hemel en aarde, tussen God en ons, te dichten door eigen ideeën en begrippen, waarin wij ook Gods wegen proberen te vangen, maar dat is onmogelijk.

Prediker, ook al zo’n worstelaar met God, zegt het zo: “ God heeft de mens meer tijd en duur gegeven, dan hun hart, hun verstand bevatten kan. De volle omvang, van wat God tot stand heeft gebracht, geen mens, die er bij kan”.

Gods mysterie en Majesteit gaat ons verstand ver te boven.

Maar wat wij met ons mensenverstand wél kunnen waarnemen is, dat God zich bekend heeft gemaakt als een liefhebbende God, die om ons bekommerd is en zelfs zo, dat Hij in Jezus Christus één der onzen is geworden en alle lijden en een verschrikkelijke dood zelf heeft doorgemaakt – omwille van ons.

In ons lijden mogen wij ons met Hem verbonden weten en dat zal ons lijden verlichten.  Beseffen wij wel, wat het betekent, dat God zich klein heeft gemaakt om ons het leven te schenken? Dát vind je in geen enkele andere godsdienst!

Het Evangelie van vandaag heeft een blijere toon. Je zou kunnen zeggen, dat het een verslag is van hoe Jezus de Sabbath doorbrengt, de dag, die aan God is toegewijd.

Na in de synagoge te hebben gepreekt, gaat Hij met Petrus en Andreas mee naar huis, om wat te drinken, stel ik mij zo voor (zoals wij dadelijk na deze Hoogmis doen). Maar de schoonmoeder van Petrus lag ziek te bed. En dan staat er: “Jezus ging naar haar toe, pakte haar bij de hand en deed haar opstaan”.

Hij deed haar opstaan. Als in het Evangelie het woord “opstaan” valt, dan dachten de eerste Christenen direct aan de Verrijzenis van Jezus, die een onderpand is van onze verrijzenis, ons nieuwe leven uit Gods Geest.

Wij hebben God nooit gezien. Echter in Jezus en alle mensen die, in navolging van Hem, anderen doen opstaan, weer moed geven, weer doen herleven, of in ziektes verzorgen en troosten, mogen wij Gods zorg voor ons herkennen.

Ook Zuster Rachelle bleef niet treurig zitten. Ook zij stond op en ging de geroofde meisjes zoeken. Bij de legercommandant aangekomen, gaf God haar, zoals ze zelf zei, de juiste woorden in de mond om hem van het onrecht te overtuigen. Die woorden maakten zo’n indruk op hem, dat hij 109 van de 139 meisjes vrij liet. Je mag dat als een succes beschouwen, ook al blijft het waar, dat er 30 achterbleven. Wij mensen zijn blijkbaar niet in staat, om al het lijden in de wereld te verzachten en alle nood te lenigen.

Toch blijft de opdracht aan ons: te helpen, waar mogelijk. Niet, om daar trots op te zijn, maar, omdat Jezus dat van ons vraagt. Die heeft gezegd: “Wat ge aan de minsten der mijnen doet, hebt ge aan Mij gedaan”.

Amen