PREEK VAN PASTOOR/PLEBAAN R. WAGENAAR, GEHOUDEN OP ZONDAG 4 SEPTEMBER 2022 IN DE
ST. JOZEFKATHEDRAAL TE GRONINGEN.

Drieëntwintigste Zondag door het jaar – C

 

De eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten de eersten.

Wie zich verheft, zal vernederd worden, maar wie zich vernedert zal verheven worden.

Dat waren de thema’s van de afgelopen twee Zondagen.

Vandaag horen we wederom een veeleisende Christus. In scherpe tegenstellingen roept Hij ons op om Hem te volgen en God voor ogen te houden.

Natuurlijk roept Jezus NIET op, om tegen het vierde Gebod in te gaan: Eer uw vader en uw moeder.

Wat Hij wil duidelijk maken is, dat God altijd vóór gaat. Hij, die onze levensdraden in de moederschoot heeft geweven, zoals Psalm 30 zo mooi zegt. Hij is ook ons levensdoel. Op Hem moet ons leven gericht zijn. Wie zijn leven wil winnen, die zal het verliezen en wie zijn leven verliest om mijnentwil, die zal het winnen. Wij moeten de dingen van hier kunnen loslaten.

Christus verduidelijkt Zijn oproep met twee merkwaardige voorbeelden.

Het eerste voorbeeld is de torenbouw en de boodschap is: zoals men geen toren kan bouwen zonder geld, zo kan men niet het bouwwerk van zijn leven optrekken, in navolging van Christus, zonder onthechting.

Het tweede voorbeeld is aan de oorlog ontleend. Zoals een koning soldaten nodig heeft om oorlog te voeren, zo heeft de leerling onthechting nodig om te strijden tegen de vijand van God, de duivel.

Het merkwaardige van beide voorbeelden is, dat ze gaan over “hebben”= geld en soldaten.  Zoals het in de wereld essentieel is om te bezitten, zo wezenlijk is het niet-bezitten in de navolging van Christus. Er is geen ontkomen aan, de betekenis is volkomen helder. Wie het werkelijke Leven wil, met een hoofdletter, moet loslaten en zijn kruis opnemen. Dat betekent zoals Isaak het hout aandragen in de bereidheid tot offeren en overgave. Of als Simon van Cyrene het schandeteken mee opnemen in de bereidheid om veracht en bespot te worden. Loslaten – je bezit opgeven. Het was voor de rijke jongeling, die zo goed leefde, het breekpunt: bedroefd ging hij heen, dat was teveel gevraagd.

Voor de H. Antonius, de stichter van het monnikenwezen in Egypte in de derde eeuw, was het een keerpunt, toen hij dit Evangelie had gelezen. Ook hij was rijk, maar gaf alles weg en trok de woestijn in.

Moeten wij dat dan ook doen?

Als we er al maar eens toe zouden komen, om het geestelijke boven het wereldse te stellen. Het Leven met een hoofdletter boven dat met een kleine letter, ons aardse leven. Zo hebben we dat nog geen vijftig jaar geleden wél gekend. Als er iemand op sterven lag bijvoorbeeld, riep men eerst de pastoor om de Sacramenten toe te dienen en dan de dokter. Men wist immers het eeuwige voornamer en belangrijker dan het tijdelijke. Nu roept men de dokter en kijkt men naar het lichaam. De ziel wordt vergeten en de priester, of liever de genademiddelen, daar denkt men vaak niet eens meer aan. En toch, al het aardse is vergankelijk, het leven hier, het geluk, de liefde, vriendschap en bezit. Men kan het nog zo goed hebben, maar klein en ontluisterend zal het aardse einde zijn en zal men zich moeten buigen voor Gods’ majesteit. Wat blijft een mens anders over, dan zich vertrouwend te geven in Gods’ handen.

De mens is met een hart geschapen. Hij hecht zich aan wat hij is en aan wat hij bezit.  Zonder geluk, of geluksverwachting kan niemand leven. De mens is met een gevoelig hart toegerust gelukkig en helaas, hij hecht zich – dat betekent zijn geluk én zijn tragiek. Menselijk geluk heeft altijd één nadeel: het beweegt zich naar het einde. Aards geluk kan groots zijn als een bruiloftsfeest, het is even voorbijgaand.  De mens hecht aan bezit, gezondheid, welvaren, aan werkkring, gezin en succes. Hij ziet uit naar promotie en geniet van waardering. Hij voelt zich gelukkig met gedeelde genegenheid, beantwoorde liefde, gevonden begrip en wederzijdse trouw. Tegenslagen kan hij incasseren, als er maar iets overblijft van warmte en geborgenheid. De mens werkt en verzamelt. Wat hij verwerft, beschouwt hij als eigendom.

Toch wordt het hem slechts in beheer gegeven voor een tijd, maximaal de tijd van zijn leven. Over geld en goed kan hij bij testament beschikken, maar hij kan het echter niet meenemen.

Niets is blijvend, behalve de relatie met God

Dat besefte in de negentiende eeuw in Engeland de jonge John Henry Newman, zestien jaar, tot dan toe nog ongelovig. Toen ik alles had weggestreept, wat van belang was, bleven er maar twee over: IK en mijn Schepper. Dat was zijn eerste bekering.

Zo wil Christus vandaag niet ons geluk verkleinen, ons leven niet somber maken, maar richting geven naar het blijvende en onvergankelijke.

Ik en mijn Schepper.

Leven is loslaten, loslaten is leven. Kort en krachtig in het Engels:  Let go, let God!

Amen