PREEK VAN PASTOOR/PLEBAAN R. WAGENAAR, GEHOUDEN OP ZONDAG 3 APRIL 2022 IN DE      ST. JOZEFKATHEDRAAL TE GRONINGEN.

Vijfde Zondag van de Veertigdagentijd – C

U hebt zojuist een parel uit het Evangelie zien schitteren in het Evangelie, dat u hoorde. Een parel, waar nogal wat over te doen is geweest, omdat ze pas later is gezet in het Johannesevangelie en er nu een centrale plaats inneemt.

Het centrale thema van verlossing en vrijspraak, dat wij met Pasen gaan vieren, wordt ons vandaag heel levendig en concreet geschilderd.

Het is ook radicaal en vrijmoedig en men heeft er in de jonge Kerk moeite mee gehad. Kunt u het zich voorstellen in de jonge Kerk, waar men een strenge boetepraktijk kende. En dan Jezus, die zó gemakkelijk vergeving schonk voor zo’n zware zonde!

Kerkvader Augustinus (5e eeuw) beklemtoonde echter, dat de geschiedenis van de overspelige vrouw juist de kern van het Evangelie weergeeft: de ontmoeting tussen Schepper en schepsel, tussen zieke en geneesheer, tussen onze ellende en Gods barmhartigheid.

De Kerk is in zijn spoor verder gegaan. Het Concilie van Trente in de 16e eeuw, heeft deze Evangelie- passage authentiek verklaard: tegen iedere vorm van steile menselijke gerechtigheid heeft het gewezen op de vriendelijke gerechtigheid, die God is: barmhartige Vergever van alle zonden.

Zoals Christus dan direct vergeeft, zo krijgen wij vergeving door het Sacrament van de Verzoening. Tóen moest de Kerk optreden tegen rigoristen, al te strenge lieden. Tegenwoordig moet ze eerder optreden tegen het omgekeerde gevaar, namelijk dat men op grond van het gedrag van Jezus de wet gaat uitspelen tegen de vrijheid, 1de vaste orde tegen wanorde, de strengheid tegen toegeeflijkheid.

Maar Christus zegt NIET, dat Hij de wet afschaft. Hij zegt niet, dat de overspelige vrouw niet zwaar gezondigd heeft, of dat ze geen straf verdient.

Wél wijst Hij radicaal het wettische af, van mensen, die oneerlijk zijn tot in het diepst van hun hart, die oordelen, terwijl ze blind zijn voor zichzelf. Zij zijn niet bedacht op Gods heiligheid en op Zijn heiliging van de mensen, maar gaan alleen maar uit van hun eigen vermeende voortreffelijkheid. Aan deze mensen ergert Jezus zich zo grondig, dat Hij op de grond gaat schrijven. Dat is niet zo vreemd als het lijkt en zelfs herkenbaar, als we met een pen wat tekenen, of lijnen trekken onder het praten, of om juist niet te praten, met een stokje in het zand tekenen, om zijn afkeer te laten blijken, of in gedachten verzonken over de verborgenheden van de pratende en beschuldigende ouderlingen en de belijdenis van de zwijgende vrouw.

We kunnen ons de scene wel voorstellen. Stond het bovendien ook niet zo bij de Profeet?                “De namen van hen, die zich tegen Mij verzetten staan op de aarde geschreven, niet in de Hemel”.

Wij moeten ons dus hoeden voor farizeïstisch gedrag. Wie is zonder zonden? Ja, zijn niet de zonden, die we bij de anderen duidelijk zien, ook juist duidelijk onze eigen zonden – denk aan de balk en de splinter van hetzelfde hout.

In de Kerk is er ook de zonde van het eigen gelijk, van de zuiverheid, die tot een hoogmoedig  puritanisme is geworden. Dat heeft steeds weer tot afscheidingen geleid en daar zit ook iets overspeligs in – vast als ze zitten in hun eigen gelijk.

Daartegenover staat de mens, die zijn zonden erkent en belijdt. Veel is er niet voor nodig: slechts de houding van berouw en boetvaardigheid. God doet de rest en schept een nieuw hart in ons. Er is slechts één opdracht: Zondig voortaan niet meer.

Zo moeten wij naar de oude mens sterven en ons inspannen een nieuw leven te leiden. Alle drie de Lezingen spreken vandaag over het oude, dat voorbij is en het nieuwe, dat gaat komen.

Sterven met Christus en opstaan uit de doden met Hem.

Die u verlaten gaan allen te gronde.

Mij is het genoeg bij de HEER te vertoeven, mijn toevlucht te zoeken bij God.

Dan worden al onze zonden wit gewassen!

Amen