PREEK VAN PASTOOR/PLEBAAN R. WAGENAAR, GEHOUDEN OP ZONDAG 28 AUGUSTUS 2022 IN DE ST. JOZEFKATHEDRAAL IN GRONINGEN.

Tweeëntwintigste Zondag door het jaar – C

In de vorm van twee tafelgesprekken geeft Jezus onderricht.

In het eerste verhaal gaat het over het kiezen van een plaats aan tafel: liever aan het eind gaan zitten en hogerop gevraagd worden, dan andersom,

In het tweede verhaal gaat het over de keuze van de genodigden. Niet de aanzienlijken vragen, die op hun beurt terug uitnodigen, maar de onaanzienlijken, die daar niets tegenover kunnen stellen.

Lessen in wellevendheid?

Daarvoor is Jezus niet gekomen.

Het kader van een maaltijd en bruiloft geeft al aan, dat er méér aan de hand is. Het zijn verwijzingen naar het komende Godsrijk.

Daar tellen andere waarden dan in de wereld. Ze staan er zelfs haaks op, zoals ook hier weer blijkt Vorige Zondag hoorden we over de eersten, die de laatsten zullen zijn en andersom. Vandaag is de kernzin: wie zich verheft, zal vernederd worden, maar wie zich vernedert, zal verheven worden. Anders gezegd: wij moeten er naar streven nederig te zijn.

Het eerste deel van de zin, wie zich verheft, zal vernederd worden,  is algemeen als een wijze les aanvaard.                                  Tegelijkertijd verwart het ons, want zijn we niet juist gericht op winst, aanzien, hogerop komen, prettig leven? Al weten we ook, hoe betrekkelijk dat alles is. We worden oud, krijgen problemen met de gezondheid, we raken vergeten. En zelfs mensen, die aanzienlijk waren, krijgen nog even aandacht bij hun overlijden, maar jongeren weten na een aantal jaren al niet meer van hun bestaan. Alles is hier betrekkelijk en tijdelijk.

Het tweede deel van de zin: wie zich vernedert, zal verheven worden, is moeilijker te begrijpen. Jonge mensen hebben idealen, kunnen afzien, trekken de wereld in, zonder veel eisen, met een zekere minachting voor de gevestigde orde.                                    Zoekend, naar wat met niet ziet, maar waar men eigenlijk naar verlangt, zegt Jezus: Ik gun jou, mens, om groot te worden. Ik maak jou groot, maar op precies omgekeerde wijze, als je verwacht.  Niet, zoals de wereld: van jongste bediende tot directeur, van leerling tot professor.

Nee, de weg naar de werkelijke glorie, is die van afzien. Wie onder u groot wil zijn, moet de kleinste van allen zijn. De weg naar omhoog is de weg naar beneden, want er is een geheimzinnig verband tussen zelfverloochening en verheerlijking.

Christus zelf is ons duidelijkste voorbeeld. Hij is de gang naar beneden tot het uiterste gegaan en heeft zo de dood overwonnen.

We kunnen het zien in het leven van talloze heiligen, die naar menselijke maatstaven weinig presteerden, zoals Bernadette Soubirous, Theresia van Lisieux, de pastoor van Ars, om enkele te noemen, waar die in hun kleinheid, lijden en afzien groot werden en alom geëerd zijn tot in onze dagen.                                                                                                                                      We kunnen het zien in mensen om ons heen, die in hun eenvoud en onopvallendheid indruk maken door een grootheid van geest. Die zijn altijd zichzelf en stralen rust uit
Jezelf zijn, niet méér willen zijn, dan je bent. Je eigen zwakheden en gebreken kennen, maakt je nederig ten opzichte van God en je medemens.

Nederigheid. Dat is niet met gebogen hoofd rondlopen, in je schulp kruipen en al helemaal niet valse nederigheid. Dat is nederig doen. Je kunt wel in nederigheid groeien, leren, nederig te zijn als een levenshouding.  De H. Benedictus wijdt in zijn “Regel voor de monniken”  een lang hoofdstuk aan nederigheid. Daarin onderscheidt hij verschillende trappen in groei naar echte nederigheid. Nederigheid, stelt hij, voert de deugden aan, zoals hoogmoed de ondeugden. Hij vergelijkt die gang met de ladder in de droom van Jacob, waarlangs engelen opklimmen en afdalen. Dat is de ladder van ons leven. Dit opklimmen en afdalen staat voor de nederigheid, die opklimt en de hoogmoed (jezelf centraal stellen) , die naar beneden haalt.

De vreze Gods is de eerste trap. Dat wil zeggen, God, die onze toekomst is, voor ogen houden. Dat wij niet onze eigen wil doen, maar zoals we in het Onze Vader bidden, dat Zijn wil in ons moge geschieden.

Niet de begeerten nastreven, slechte gedachten weren en alles, wat met kwaad van doen heeft.   Ook de tevredenheid met het geringste en armste. Alles met mate genieten en dienstbaar zijn.  Het houdt ook in: kunnen zwijgen, al heb je gelijk, zoals Christus zweeg in Zijn lijden, kritiek kunnen accepteren en ervan leren, je verlies kunnen aanvaarden, ook kunnen gehoorzamen, al zou jezelf liever anders willen of doen.

Zeggen we niet op Goede Vrijdag, dat Christus gehoorzaam is geworden, ja, gehoorzaam tot de dood aan het kruis.

Hij is ons eerste voorbeeld van nederigheid, God zelf! Afgedaald uit de hemel om één der onzen te worden. Hij, die rijk was is arm geworden, om door Zijn armoede ons rijk te maken, zoals St. Paulus zegt.

Onze Paus Franciscus geeft een prachtig voorbeeld van ware nederigheid. Hij doet niet zo, hij IS zo. Het komt van binnenuit.  En zo blijft hij, zoals zijn voorgangers zonder werkelijke macht en kracht, onvermoeibare pleitbezorger van vrede en gerechtigheid, broos, nietig, maar het kwaad wint uiteindelijk niet, zoals we in de vorige eeuw hebben gezien.

Zo zal het hopelijk ook nu gaan.

Daar mogen we voor blijven bidden. Andermaal zwakheid die kracht in zich draagt.

Amen