PREEK VAN PASTOOR/PLEBAAN R. WAGENAAR, GEHOUDEN OP ZONDAG 21 AUGUSTUS 2022 IN DE ST. JOZEFKATHEDRAAL TE GRONINGEN.

Eénentwintigste Zondag door het jaar – C

In deze vakantieperiode trekken velen er op uit en komen in vele andere landen. Ik denk aan Frankrijk, met z’n prachtige Kathedralen. Velen lopen daar verwonderd en vol bewondering rond. Kathedralen, die al 700 of 800 jaar staan en die al zoveel hebben meegemaakt en doorgemaakt aan geloofsafval, herleven van het geloof, branden, oorlogen enz. En ze staan er nog steeds en blijven gidsen voor ons.

En als u in Frankrijk in een Kathedraal aan de westzijde staat, voor het hoofdportaal, dan ziet men vaak een Christus in een mandorla, omringd door de symbolen van de vier evangelisten, of een uitgebreide laatste oordeelvoorstelling met Christus in heerlijkheid zetelend op de wereldbol. Daaronder staat de Aartsengel Michaël met een weegschaal en naar rechts (van Christus uit gezien) degenen, die naar het hemels paradijs gaan – begeleid door engelen en links de kop van het Hellemonster met de ongelukkigen, die, door duivels begeleid, in het vuur verdwijnen.                                                                                                          Dat is aan de westzijde van de Kerk. De kant van de ondergaande zon, de dood. Maar door de deur heen gaat men het licht tegemoet in het oosten, waar de zon opgaat. Christus, de zon der gerechtigheid, ons heil en zo is een kerk ook voorafbeelding van de Hemelse stad, waarnaar wij op weg zijn.

Is Christus een straffende God? Boven Christus’ hoofd zien we altijd een zwaard en een lelietak, staande voor de gerechtigheid en de barmhartigheid. De barmhartigheid wint het van de gerechtigheid, zegt de Jakobusbrief.

Ja, als God een barmhartige god is, kan ik dat niet rijmen met een straffende god. Heer, hoe vaak moet ik mijn broeder vergeven, zeven keer? Ik zeg u 70 keer 7 keer. Telkens weer.

Wij moeten ons het laatste oordeel na onze dood ook niet als een rechtbank, rechtspraak, zoals wij die kennen, voorstellen. St. Augustinus, in de vijfde eeuw en Thomas van Aquino, in de dertiende eeuw, hebben al uiteengezet, dat het niet om een gerechtelijke procedure gaat, maar om een geestelijk proces. Tegenover de absolute waarheid van God verschijnt voor de mens de waarheid van zijn leven. Dan zullen de maskers afvallen en komt er een einde aan de zelfmisleiding. Dan wordt voor de mens duidelijk, of hij zijn leven heeft gewonnen of vergooid.

Daarvan hangt het af, of hij wordt opgenomen in het leven bij God, of in de duisternis van Gods afwezigheid. Spant u ook tot het uiterste in, om door de nauwe deur binnen te komen, houdt Jezus ons voor. Wat voor maatregelen nemen we niet, om diefstal te voorkomen uit ons huis? Hoe bereiden we ons niet voor, als we op reis gaan? En de reis van ons leven dan?

Het is niet voldoende om ’s Zondags naar de Kerk te gaan. Leeft Christus werkelijk in ons hart, in ons bidden door de week heen? Aan tafel, voor het slapen gaan, bij het opstaan? Ja, maar dan heb ik geen tijd. Ik ken mensen, die een Kruisteken maken bij het opstaan. Ook onderweg naar je werk, of in huis. Wij mensen Zijn nu eenmaal visueel ingesteld. Wij willen zichtbaar en tastbaar maken. Zo ook het geloof dichterbij brengen.

Belangrijker nog: wat geven we onze kinderen mee? Er zijn veel ouders, die zeggen, dat ze de kinderen daarin vrij willen laten. Maar de opvoeding is er voor, kinderen mee te geven, wat ouders nodig en belangrijk vinden. Wat de kinderen er later verder mee doen, is hun zaak.

De ervaring leert, dat de drempel alleen maar hoger wordt, als je de kinderen niet laat dopen als baby.

Zo ook, als het einde in zicht lijkt om je voor te bereiden op de laatste etappe van de levensreis: de ontmoeting met de Heer van alle leven in het ontvangen van de Sacramenten, de ziekenzalving en het Viaticum, de heilige teerspijs voor die laatste reis. Vroeger riep men eerst de priester en dan de dokter. Nu roept men alleen de dokter.

De Kerk reikt ons zoveel aan, om ons geestelijk leven te voeden, in de Liturgie, in devoties als de Rozenkrans en het Angelusgebed. Het weer ontdekken daarvan kan ons leven geestelijk verrijken. Bidden is niet ouderwets.

Niet meegaan in de onverschilligheid van deze tijd, maar onze verantwoordelijkheid als gelovige op ons nemen. Dat geldt ook onze omgang met elkaar. Ook daarin zijn we onverschillig geworden, niet vreemd, waar het “ ïk” centraal is komen te staan.

Ik denk aan Christus’ woorden: “Wat je aan de minsten der mijnen doet, hebt ge aan Mij gedaan”.

Is onze stadspatroon, St. Martinus, daar niet een prachtig voorbeeld van, zoals dat door de geschiedenis van de Kerk is verder gegaan: nood lenigen, door tal van ordes en congregaties, die zich op de vele verschillende aspecten daarvan hebben toegelegd, tot op heden, nu elders in de wereld.

Misschien is een nadelig aspect daarvan bij ons, Katholieken, te denken, dat die zusters en broeders dat wel doen, terwijl ik in gesprekken met protestanten een zekere weerstand tegen “de goede werken” hoor, want, zeggen zij, het gaat om het geloof alleen. Mijn reactie is dan, dat net als in de liefde, het geloof zich in daden, goede daden, goede werken dus, uit. En dat zie ik bij onze protestantse medegelovigen misschien meer in praktijk gebracht, dan bij veel katholieken: zorg voor de mensen van hun gemeente. Een gemeente is wel overzichtelijker, dan de grotere verbanden in de Katholieke Kerk.

Barmhartigheid betonen blijft een opdracht voor iedere gelovige.

Dat wij zó de weg van Christus mogen gaan en volgen, om eens niet bij de laatsten te horen.

 

Amen