PREEK VAN PASTOOR/PLEBAAN R. WAGENAAR, GEHOUDEN OP ZONDAG 20 NOVEMBER 2022 IN DE ST. JOZEFKATHEDRAAL TE GRONINGEN.

Hoogfeest van Christus Koning  – C

 

Het koningschap en alles, wat daarmee samenhangt, spreekt nog steeds tot de verbeelding. Een koninklijk huwelijk of bezoek, een koninklijke uitvaart, dat wil men niet missen. Prinsjesdag evenmin. Dan stappen we even uit onze hightech, gestroomlijnde moderne samenleving, in een verademend sprookjestafereel.

Anderzijds zijn velen ervan overtuigd, dat het koningschap een achterhaalde zaak is en hooguit in een afgezwakte vorm kan blijven bestaan. Zeker is het ook een bindend element, met name in onze steeds meer uit elkaar vallende samenleving.

Nu, op deze laatste Zondag van het liturgisch jaar vieren we het Hoogfeest van Christus Koning van het heelal. Een bewijs van het conservatisme van de Kerk? En hoe triomfalistisch klinkt dat niet. Dat waren we toch voorbij?

Het Evangelie, dat de Kerk koos voor dit feest wekt dan wel even verwarring. Want daaruit spreekt niets triomfantelijks. In totale vernedering en afhankelijkheid hangt de Godmens aan het kruis, bespot, gehoond, machteloos.  Naar menselijke maat moet je zeggen: onttroond koningschap, mislukte missie.

Toch ligt in dit moment van vernedering en dood de overwinning.

“….. want in Hem heeft God willen wonen in heel Zijn volheid, om door Hem het heelal met zich te verzoenen en vrede te stichten door het bloed aan het kruis vergoten, om alles in de hemel en op aarde te verzoenen door Hem alleen”, zoals St. Paulus vandaag zegt.

Christus is de grondslag van alle heil, omdat Hij heel het universum met God verzoent.

Dát is Zijn koningschap. Het heeft niets met het aardse koningschap van macht en rijkdom van doen. Dát is en blijft vergankelijk en betrekkelijk, of het nu echte koningen betreft, of idolen van onze tijd.

Christus’ koninkrijk is niet van deze wereld, omdat Zijn Rijk gebouwd is op waarheid, gerechtigheid, vrede. Maar Zijn Rijk is wél gevestigd in de diepste aardse ellende.

“Moest de Mensenzoon dit alles niet lijden om Zijn heerlijkheid te kunnen binnengaan?”, vraagt Jezus aan de Emmaüsgangers.

Mensen vragen zich vaak af, hoe God al het kwaad, met name oorlogen en alle verschrikkingen daarvan kan toelaten, als Hij de liefde zelf is. Maar we kunnen God toch niet verwijten, wat mensen elkaar aandoen? Hij heeft de mens een vrije wil gegeven en Hij neemt de mens serieus.

Bovendien is God zelf in Christus door het lijden heengegaan, het geestelijke – Heer, laat deze kelk aan Mij voorbijgaan – en het lichamelijke, tot het uiterste toe.

Een lijdende God, dat is een godsbegrip, dat in geen enkele andere religie bestaat en het vloekt met elk menselijk godsidee. Het is alleen specifiek voor het Christelijke godsbesef. God heeft zich van Zijn macht ontdaan in Christus en is deel geworden van het lijden en van de dood, maar het was wél de weg naar de opstanding.

Dat is de grote paradox van het Christendom en dat is een belangrijk gegeven van het christelijke antwoord op lijden en dood. Er is dus een perspectief, een uitzicht.

Het blijft een mysterie, maar ook werkelijkheid, door de apostelen gezien en meegemaakt. Op hun getuigenis rust ons geloof, waarom wij dadelijk in de Geloofsbelijdenis van de Kerk ook zeggen, dat zij apostolisch is.

Door het lijden tot in de diepte gaan en daaruit een opgang maken. Het sterven en verrijzen gaat door ons leven heen. Het is herkenbaar. Zeggen we niet: als de nood het hoogst is, is de redding nabij? Dat is een gegeven in onze menselijke ervaring.

En zelfs zijn er getuigenissen van mensen, die in de hel van een concentratiekamp het licht hebben gezien, het geloof gevonden.

Het lijden kan worden tot een “blessing in disguise”

En theologisch spreken we van een “felix culpa” in de Paaswake, een gelukkige schuld van Adam en Eva, die tot een herschepping heeft geleid. Dat vieren we op Pasen, doopdag bij uitstek.

Want zoals Christus uit de dood verrezen is, zo zijn wij door het doopsel uit de duisternis en dood in het licht en het leven met God gekomen en zijn wij een koninklijk volk, omdat wij delen in het koninklijk priesterschap van Christus. Dat gebeurt in de kiem in het doopsel en moet uitgroeien door ons leven heen, in verbondenheid met Christus.

Het eigen “ik” speelt ons altijd parten en nu wellicht meer dan ooit, waar mensen zich autonoom wanen. Wij zijn echter niet de Heer van de schepping, de Heer van ons leven, dat is God.
Paulus zegt het treffend: “Niemand leeft voor zichzelf, niemand sterft voor zichzelf. Wij leven en sterven voor God, onze Heer. Aan Hem behoren wij toe”.

Willen wij heersen over onszelf, of willen wij Christus dienen, zoals Hij zelf dienstbaar was, bij HEM horen, die zich voor ons gegeven heeft en die onze toekomst is, als wij dat zelf willen?

Naar de liefde zullen wij beoordeeld worden.

 

Amen