PREEK VAN PASTOOR/PLEBAAN R.WAGENAAR, GEHOUDEN OP ZONDAG 20 MAART 2022 IN DE       ST. JOZEFKATHEDRAAL TE GRONINGEN.

Derde Zondag van de Veertigdagentijd – C

Eén van die geheimvolle Bijbelverhalen, die wij hoorden in onze jeugd en sindsdien nooit meer vergeten hebben, hoorde u zojuist in de Eerste Lezing, die van de brandende doornstruik, die brandde, maar toch niet verbrandde, later beeld van het maagdelijk moederschap van Maria, die Moeder werd en Maagd bleef.

Zó maakt God zich aan Mozes bekend, als een vuur, dat blijft en niet vernietigt.

God spreekt tot Mozes:  “ IK BEN DE ZIJNDE“ , “IK BEN,  DIE IS“  of  “IK BEN, DIE IK BEN” .

We voelen het heilige van dit gebeuren, een lichtend visioen, waar God zelf onzichtbaar blijft, maar wel aanwezig is en spreekt. HIJ blijft niet in zichzelf besloten, hoog in de hemel, maar richt zich tot Mozes en maakt zich bekend als Redder van Zijn volk. HIJ kent het lijden van Zijn volk, de onderdrukking en HIJ daalt af, om Zijn volk te bevrijden.

Daarom heeft men in Christus de tweede Mozes gezien, die immers is afgedaald naar ons menselijk bestaan, om ons te bevrijden, niet uit aardse slavernij  en verdrukking, maar uit die van de zonde en de dood. Zoals Mozes tot zijn volk werd gezonden, om het te bevrijden uit de macht der Egyptenaren, zo zal Christus ons bevrijden uit de macht van de Boze.

God toont zich steeds weer een barmhartige God. Maar ondanks de bevrijding uit de slavernij der Egyptenaren, ging het uitverkoren volk niet onvoorwaardelijk met God verder, niet in woorden, niet in daden. Zoveel weldaden heeft Hij hun betoond. St. Paulus noemt ze op in de Eerste brief aan de Korinthiërs, die u hoorde: doortocht door de Rode Zee, voedsel uit de hemel, water uit de rots.         En toch was het volk ondankbaar, verlangde het terug naar de vleespotten van Egypte, liet het zich verleiden tot ontucht en morde het tegen God.

St. Paulus waarschuwt de Korinthiërs, dat het niet voldoende is, gedoopt te zijn en deel te nemen aan de Eucharistie – als zou men daardoor immuun zijn tegen alle bekoring. En hij verwijst naar het uitverkoren volk, dat gedoopt was tot één volk, onder de wolk en door de zee getrokken en dat hetzelfde geestelijke voedsel en dezelfde geestelijke drank had gedronken, maar desondanks ontrouw werd.

De vermaning en de waarschuwing aan de Korinthiërs treft ook ons. Het gaat niet om moraliteit, maar om God en de liefde, die om daden vraagt. We mogen niet laks en onverschillig zijn , als zou het niet uitmaken, hoe wij leven. Niet voor niets worden deze verwijzingen, die wij in de Lezingen vandaag hoorden, ons in de Vastentijd voorgehouden. Mensen kunnen op het ogenblik zo gemakkelijk zeggen, dat het wel goed zit ten aanzien van God, terwijl hun daden daar geenszins een uitdrukking van zijn. Het is eigenlijk een verwaandheid, die nooit op zijn plaats is. Wat wordt er niet vaak gemord tegen God, verwijt men Hem de beproevingen, die op onze weg komen. Hoe zinloos en tegelijkertijd afsluitend – ik bedoel, dat een vuist ballen nooit een opening geeft. Dan sluit men zich af als een verongelijkt kind.

Maar als men op God vertrouwt, blijft vertrouwen, ondanks de beproevingen, dan blijft men de deur naar God openhouden, ook al begrijpt men niet direct. Dan is er een mogelijkheid om te gaan verstaan, om tot aanvaarding te komen. Dan kan men de beproeving ook als genade gaan zien, die sterk maakt en die het lijden dragelijk maakt.

Het geloof bevrijdt, maar dat vraagt uitboeting van zonden, de weg naar binnen te gaan en Gods Geest in ons te laten werken.

Want het is niet voldoende om Kerkelijk te zijn en daarnaast door onze levenswandel eerder onszelf, dan God te volgen. Eerder moeten wij gelovig zijn, de ontmoeting met Christus in de Sacramenten serieus nemen, in onze omgang met onze medemensen Christus willen volgen en Hem herkennen in onze medemensen. Iemand, die gelovig is, weet, dat hij er nog lang niet is, dat hij nauwelijks op de onderste sport van de ladder naar de volmaaktheid staat. Hij weet, dat hij bekering behoeft, steeds opnieuw en ook, dat hij genade krijgt om weer opnieuw te beginnen, omdat God de Geduldige is, die steeds weer nieuwe kansen geeft, om ons leven met Hem te vernieuwen en te versterken.

Maar ons leven is kort. We mogen niet achteloos en onverschillig zijn, of maar uitstellen. We mogen ons levensdoel niet uit het oog verliezen.

Ons levensdoel is, dat het visioen van Mozes volle werkelijkheid wordt en dat wij God van aangezicht tot aangezicht mogen aanschouwen!

Amen