PREEK VAN PASTOOR/PLEBAAN R. WAGENAAR, GEHOUDEN OP ZONDAG 19 SEPTEMBER 2021 IN DE ST. JOZEFKATHEDRAAL TE GRONINGEN.

25e Zondag door het jaar – B

Vorige Zondag sprak Jezus over Zijn lijden en sterven.

Waar Petrus boos over werd en Jezus hem terecht wees. In ieder geval had Petrus naar Jezus geluisterd en sprak uit zijn boosheid betrokkenheid bij Jezus.

Vandaag horen wij, hoe Jezus andermaal over Zijn lijden, sterven en verrijzen spreekt tot de Apostelen.
Nu stuit Jezus niet op onbegrip, maar  op onverschilligheid.

De Apostelen begrijpen niet, waar Hij het over heeft en zij zijn met andere zaken bezig. Hun eigen toekomst en plaats. Dat levert natuurlijk gesteggel op. Ieder vecht voor zijn eigen plaats en dat is niet achteraan.

Uit het leven gegrepen, zo herkenbaar. Zijn wij niet ook zo vaak met onze eigen zaken, voordelen, toekomst bezig, zonder dat we oog hebben voor andermans zorgen en problemen? Horen wij vaak niet eens de bekommernis van anderen, omdat we niet echt luisteren en hooguit quasi – betrokken kijken en knikken. Zeg niet te gauw, dat zal mij niet overkomen. Zeker in een tijd als de huidige van individualisme en egocentrisme, nu velen als het ware een muur om zich heen hebben gebouwd, waarbinnen ze eigenlijk niemand toelaten, tenzij voor even, als het hem/haar uitkomt.  Wij willen de eerste zijn, voorop staan, gekend zijn.

Is dat dan verkeerd? Mag dat niet? Mag je geen ambities hebben, iets willen presteren? Zeker, talenten, die je hebt, ontwikkelen is eerder een opdracht, uitdagingen aangaan.

Maar, is het niet het belangrijkste, hoe wij ons mens-zijn ontwikkelen, oog hebben voor anderen en échte aandacht, ons kunnen blijven verwonderen. “ Der Mensch wird am Du zum Ich “, zei Martin Buber. Daar is alles mee gezegd. In de omgang met anderen, in het openstaan voor anderen, voor diens talenten en eigenheden, kunnen we ónze eigenaardigheden leren aanvaarden, elkaar verdragen en vergeven. In ieder geval die weg opgaan, die de weg van de liefde is. Dan kunnen we ook stapjes terug doen, onze beperkingen erkennen, kwaliteiten van anderen waarderen.

De eersten zullen de laatsten zijn, de laatsten de eersten. Vol schijnbare tegenstellingen is ons geloof. Zeker is, dat de kleinen, in de ruimste zin,  de have-nots, in Gods koninkrijk de uitverkorenen zijn. De Paus tot de Roma in Hongarije: “ Jullie staan niet aan de rand van de samenleving, maar in het centrum“.

Ik denk ook aan de Zaligsprekingen in het Evangelie: Zalig de armen van geest, die meer steunen op God, dan op eigen kracht, bezit, of mogelijkheden. Zalig, wie zich durft toevertrouwen aan Hem, die groter is dan Zijn eigen hart.

Dan zet Jezus een kind in hun midden – niet, omdat een kind deemoedig zou zijn – maar als beeld van kleinheid en zwakheid, hulpbehoevend. Allen, die zó zijn,  beantwoorden aan het gebod van Jezus.

Zo nodigt Christus de Kerk, ons, uit, met zorg allen op te nemen, die nederig en arm zijn, omdat Christus dat vraagt.

Is Christus zelf, Zoon van God, die zich echter niet heeft willen vastklampen aan de gelijkheid met God, maar die het bestaan van een slaaf heeft aangenomen, niet hét voorbeeld van zich klein maken, omwille van anderen, omwille van ons?

Hij vraagt in feite, dat wij onze eigenwaan afleggen en ons spiegelen aan Hem. Zou dat niet veel druk, overspannenheid van mensen wegnemen? De ballon doorprikken in ons en tot onszelf komen en neerknielen, zeggend:  Mijn HEER en mijn GOD?

Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede.
Dán zijn wij werkelijk bevrijde mensen!

Amen