PREEK VAN PASTOOR/PLEBAAN R. WAGENAAR, GEHOUDEN OP ZONDAG 17 APRIL 2022 IN DE         ST. JOZEFKATHEDRAAL TE GRONINGEN.

Hoogfeest van Pasen (Eerste Paasdag) –  C

 

Zonder hoogtepunten zou ons leven veel van zijn glans verliezen. Naar een hoogtepunt kunnen we ook echt toe-leven: een feest, een belangrijke voetbalwedstrijd. Als zo’n climax nadert, komt het leven in een versnelling.

De Kerk is ons daarin een voorbeeld, zeker in deze jachtige tijd, waar alles weer snel voorbij is.

PASEN is de climax in het Kerkelijk jaar voor alle Christenen.

Wij hebben daarnaar toe geleefd in de Veertigdagentijd en geconcentreerd vanaf Palmzondag in het Paastriduüm. Drie dagen, Witte Donderdag, Goede Vrijdag, Stille Zaterdag met vandaag de climax zelf, Pasen, Christus Verrijzenis en dat blijven we na zes weken van voorbereiding, zeven weken lang vieren, met Pinksteren als afsluiting.

Stille Zaterdag ging over in Paaszaterdag, toen overal ter wereld Christenen samen kwamen. In het donker van de avond werd het Licht van Christus , de Paaskaars, ontstoken en verspreidde zich het Licht door de Kerk.

Door Pasen zien wij elkaar in een ander licht, het Licht van Christus.

Nu, op Paasmorgen klinkt het verhaal van de Opstanding.

Het graf is leeg, Christus is verrezen!

Dat weten wij niet door een geschreven feitenverslag, maar door een aantal getuigenissen, die wij in de hele Paasweek in de H. Mis zullen horen. Eerst de vrouwen bij het graf, Maria Magdalena, zoals we hoorden, die de Apostelen inlicht. Petrus en Johannes snellen naar het graf. De liefde loopt het hardst, maar laat de leider voorgaan in het graf. Maar door zijn liefde was Johannes de eerste, die de Verrijzenis van Jezus erkende: “hij zag en geloofde”, zo hoorden we.

Het lege graf is niet voldoende, om in de Verrijzenis van Jezus te kunnen geloven.

De ontmoetingen met de levende Heer geven de doorslag. Na de schok kwam er de vreugde, maar niet direct. Ze herkennen Jezus niet direct, maar pas als ze bij name genoemd worden. De wonden zijn er nog, maar deren Hem niet meer. Gesloten deuren vormen geen belemmering, maar Hij is niet puur een geestelijk wezen, loopt met de Emmaüsgangers mee en eet het geboden voedsel, de visjes, op.

Natuurlijk waren de leerlingen ontdaan en begrijpen we Thomas goed, die tenslotte de kortste en mooiste geloofsbelijdenis uitspreekt: Mijn Heer en mijn God.

Uit de neergang komt de opgang. Moest de Mensenzoon dit alles niet lijden om Zijn heerlijkheid te kunnen binnengaan, houdt Jezus de Emmaüsgangers voor.

Zo is sterven en verrijzen een gegeven door ons hele leven, niet alleen iets voor later, eens.

Wij komen door tegenslagen, ernstige ziekten, het verlies van een dierbare, ontslag enzovoort, als door een dikke duisternis heen, b.v. een moeilijk huwelijksleven, maar er is ook altijd weer een nieuw begin mogelijk, een elkaar leren begrijpen, nieuwe horizonten.

Onze verrijzenis is niet zo maar een gebeurtenis in de verre toekomst. Het gaat nog dieper. Het is een proces, dat weliswaar pas voltooid wordt in de verre toekomst, maar dat feitelijk al begonnen is in het H. Doopsel.

In het doopwater verdrinkt als het ware de oude mens en verrijzen we als een nieuwe mens, gelijkvormig gemaakt aan Christus.

Het is een proces waar het kan gisten en bruisen door ons leven. Als kinderen in een gelovig gezin ontdekken we de schoonheid van het geloof. De Goddelijke vonk, die in ons is, kan gaan stralen, al op heel jonge leeftijd en zeker, als de ouders daarin voorgaan. Kinderen, zo klein als ze zijn, hebben een antenne voor het heilige, voor God. Ze kunnen heel eerbiedig bidden, terwijl de Bijbelverhalen, alsook de vieringen in de Kerk hen kunnen raken en boeien. Daarna kan er een periode van afwijzing en verzet komen, zeker, als er in de Kerk verkeerde dingen gebeuren. Maar de Kerk is altijd zoveel méér. Zoals ook een mens altijd meer is dan zijn daden, ook verkeerde daden.

Het is dóór de Kerk, dat we tot Christus komen, in de Sacramenten. Daar leren we bidden en het mysterie van Christus, onze Verlosser kennen, overwegen. In Hem leven, bewegen en zijn wij, zegt  St. Paulus.

Het gaat om Hem en onze band met Hem. Want het mooiste van ons Christelijk geloof is, dat we een relationeel geloof hebben. God spreekt. De hele openbaring spreekt Hij met Abraham en Mozes en in het Nieuwe Testament spreekt Christus. Wij spreken met Hem door ons bidden. De stem van God komt ook door anderen naar ons toe. Ik denk nu bijvoorbeeld aan Titus Brandsma, die heilig verklaard gaat worden en die in het kamp van Dachau ook voor zijn vijanden wist te bidden. Zo zijn zij voorbeelden voor ons,

hoe Christus/God ons wil zien. “God, die ons meer nabij is, dan wij onszelf nabij zijn”, zei St. Augustinus.

CHRISTUS is de levende Heer. Dát is, wat wij vieren.  En dat dit Feest van de levende Heer steeds meer werkelijkheid in ons leven mag worden!

 

Amen