Lezingen uit de H. Schrift op de 7e zondag van Pasen, 24 mei 2020
Handelingen 1, 12-14
1 Petrus 4, 13-16
Joh. 17, 1-11a

Wij zijn in de Pinksternoveen; de Kerk bidt om de komst van de H. Geest. Dat gebed weerklinkt in de lezingen van deze zondag.
Wij hoorden in de 1e lezing hoe de apostelen, na Christus’ Hemelvaart, zich terugtrokken in de bovenzaal om samen met Maria, de moeder van Jezus, eensgezind te volharden in het gebed, in afwachting van de komst van de Helper die Jezus beloofd had.
Het evangelie verhaalt ons Jezus’ grote gebed bij zijn afscheid van de wereld, aan het begin van zijn lijden.
Dat is eigenlijk een gebed tot de Vader om de H. Geest. Hij bidt dat de zijnen zouden inzien wat het betekent  één te zijn in Hem zoals Hij één is met de Vader.
Dat inzicht is slechts mogelijk door de zending van de Geest.
De 1e Petrusbrief houdt ons voor zelfs verheugd te zijn om het deel hebben aan Christus’ lijden door van Hem te getuigen en zo de Kerk mee op te bouwen.
Eensgezind volharden in het gebed – alle tegenstellingen door woorden in opvattingen, in discussies, in uitvallen en aanvallen over en weer, moeten door de woorden en misschien nog meer door de stilte van het gebed overbrugd kunnen worden en zelfs verschrompelen.
Als we het dáár over eens kunnen zijn , zouden we elkaar zo weer kunnen vinden en samen op weg gaan.
Terug van een pratende Kerk tot een biddende. In het besef, of beter nog, in het geloof dat niet wij de Kerk maken maar dat het Gods’ Geest is die ons leidt.
Is dat niet te zien in de Kerk als geheel in haar bijna 2000 jarige geschiedenis? Is dat niet het enige antwoord op de vraag hoe het mogelijk is dat de Kerk nog steeds bestaat en leeft en groeit – zo niet hier dan elders?
Is het niet het onafgebroken gebed van de Kerk tot God en zijn geestesgave die bewerkt hebben dat dit mogelijk is?
Was de Kerk alleen een menselijke instelling dan was zij allang ten onder gegaan.
Is het ook niet te zien in de grote heiligen, die telkens weer nieuwe bewegingen en hervormingen brachten?
Ze deden dat niet uit menselijke aandrift of werklust of verstand maar altijd vanuit hun gebed en goddelijke aandrift.
Alle menselijke zwakte en onvermogen werd zo sterk.
Is het niet te zien in de talloze onbekenden die zich door hun gebed gesterkt en verhoord wisten en weten?
Kan de moderne mens die zich autonoom waart en die zelf wel meent te kunnen bepalen, nog bidden?
Het lijkt strijdig met elkaar, want bidden betekent overgave, zich uit handen geven, in vertrouwen op God.
Maar is de autonome mens ook niet een eenzame mens geworden – onzekerder en vertwijfelder dan ooit.
De vraag is dus of wij weer durven en willen neerknielen, ons onvermogen en onze nietigheid weer durven erkennen tegenover God en ons dan tegelijk door Hem opgeheven voelen, ons sterker weten dan wij zijn.
Wij moeten ons niet laten meeslepen op de golven van de tijd, nóch ons laten overmannen door wat er om ons heen gebeurt, in de Kerk en daarbuiten, maar ons laten leiden door de Geest Gods, die in ons woont.
Die vermag alles in ons te bewerken ten goede.
Ja, God woont in ons, Hij heeft met het Doopsel zijn intrek in ons genomen.
De lijdende Christus is tot de zegevierende geworden. Laten we dat altijd – door alle tranen heen – voor ogen houden.
Met Hem verbonden zullen ook wij overwinnen.
Amen.