Er is een mooie opbouw in de thema’s van de laatste 3 zondagen van het kerkelijk liturgisch jaar.
Horen wij volgende week over de verschrikkingen van het eindgebeuren en op de laatste zondag over de wederkomst des Heren in heerlijkheid, Christus koning van het heelal, vandaag wordt ons al, vóór de verschrikkingen, het einde in heerlijkheid voorgehouden.
De lezingen van deze zondag spreken immers over het leven, eeuwig leven, de verrijzenis. De verrijzenisgedachte was vreemd aan het O.T. zeker de oudere periode. Pas in de Makkabeeën-boeken en dan zijn we in de 2e eeuw vóór Christus – komt het geloof in de opstanding naar voren zoals u in de eerste lezing hoorde.
Het martelaarschap van de 7 broers bevat de eerste zekere bevestiging van geloof in de opstanding. Ze verdragen alles met verwijzing naar de verrijzenis die ze duidelijk lichamelijk zien.
De sadduceeën geloofden niet in de verrijzenis. Zij vertegenwoordigden de conservatieve partij, zowel religieus als politiek. Voor hen telde alleen de Torah, de 5 boeken van Mozes – die wij de Pentateuch noemen en die de eerste vijf boeken van het O.T. zijn.
De sadduceeën geloofden, zoals in het O.T. vrij algemeen, dat God wel een God van levenden was maar dat bij de dood alles ophield en er geen betrekking meer was tussen God en de mensen.
Zo is hun vraag aan Jezus over een soort vrouwelijke Blauwbaard die 7 mannen verslijt een groteske met de duidelijke bedoeling om de leer van de opstanding belachelijk te maken.
Jezus maakt hun duidelijk hoe menselijk en “binnenwerelds” ze denken, hoe gevangen ze zijn in de menselijke kaders.
Want het huwelijk dat in dienst staat van de voortplanting en noodzakelijk is om het mensengeslacht te doen voortbestaan, is een instituut van de sterfelijke wereld. In de toekomstige wereld is het huwelijk niet meer nodig omdat mensen onsterfelijk zijn, d.w.z. gelijk aan engelen, maar niet onstoffelijk, lichaamloos als zij. Dan zouden we ook niet meer van opstanding, verrijzenis kunnen spreken. Er is een tussentijd tussen de dood en de verrijzenis van het lichaam, welke laatste we dadelijk in de geloofsbelijdenis uitspreken. Onze verrijzenis is lichamelijk – de Makkabeeën broeders spreken er al nadrukkelijk over zoals we hoorden – en zo zullen we delen in Gods leven en heerlijkheid.
Christus zegt in zijn antwoord duidelijk dat het hiernamaals een werkelijkheid is – dat menselijke verhoudingen daar niet meer spelen. Zoals bij een overlijden, aardse laatste wensen eigenlijk verschrompelen voor de overledene zelf, die in zijn opgang naar God in zo’n andere werkelijkheid is gekomen. Waar de oneindige God en zijn werkelijkheid zo zichtbaar wordt, verbleekte alles van hier.
In God ligt het bewijs van het werkelijk bestaan van een hiernamaals. Hij is een levende God, een God die ten leven wekt, een God van levenden in de ruimste zin, over de dood heen.
Daarin wijst Jezus de Sadduceeën terecht die zich zo beroepen op Mozes, maar kennelijk niet begrepen hadden wat er stond.
Jezus zegt dat daar wel degelijk over de opstanding der doden wordt gesproken, summier maar fundamenteel waar in de geschiedenis van de brandende doornstruik God zich aan Mozes bekend maakt: Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jacob. Hij is immers geen God van doden, maar van levenden, want allen zijn levend voor Hem. Abraham, Isaak en Jacob zijn een realiteit, levende werkelijkheid.
Voor velen in onze ongelovige tijd is de verrijzenis een vraag, geen werkelijkheid meer of men is door valse profeten tot dwaze ideeën gebracht als reïncarnatie maar ons geloof, door Christus gebracht, is even mysterievol als eenvoudig, zoals wij als uniek mens geschapen zijn en een naam gekregen hebben, zo zullen wij met diezelfde naam eens in Gods heerlijkheid mogen delen.
De waarheid is altijd eenvoudig en helder. En wat een ruimte, perspectief, geeft het aan ons leven! Alles, ons hele leven, komt in een ander daglicht te staan.
We hoeven ons niet blind te staren op het hier en nu, eruit te halen wat er in zit voor het te laat is, we hoeven niet wanhopig te zijn als het mis gaat. Nee, in het licht van de verrijzenis is heel dit leven op aarde maar iets voorlopigs, voorbereiding. Dat maakt ook de tegenslagen en beproevingen gemakkelijker te dragen omdat wij niet zonder hoop zijn.
De lichte kwelling van dit ogenblik zegt St. Paulus, bezorgt ons een alles overtreffende, altijddurende volheid van glorie.
Die lichte kwelling kan naar onze menselijke maatstaven een zware, een langdurige zijn en toch blijft ze vederlicht in vergelijking met wat beloofd is.
Is het al niet herkenbaar in ons gewone leven als b.v. een ernstige operatie, een zwaar ziekbed, een geweldige krachtsinspanning of prestatie, met succes is afgerond of bekroond – dat al het eraan voorafgaande de pijn, ellende of afzien verschrompelt in ons geheugen.
Laten wij met St. Paulus zeggen: ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze wereld niet opweegt tegen de heerlijkheid die ons te wachten staat. Die heerlijkheid is delen in de oneindigheid en grootheid van God. Dat is onze toekomst!

Pastoor R. Wagenaar