PREEK VAN PASTOOR/PLEBAAN R.WAGENAAR,  GEHOUDEN OP ZONDAG 25 OKTOBER 2020 IN DE ST. JOZEFKATHEDRAAL TE  GRONINGEN.

30e  ZONDAG DOOR HET JAAR  – A

Dat de liefde centraal staat in het Christelijk geloof, kan niet duidelijker worden gesteld dan in het korte, kernachtige Evangelie van deze Zondag.

Zo eenvoudig is het dus.

Maar Moeder Teresa zei ook:  “ Simple, mais pas facile”  (Eenvoudig, maar niet gemakkelijk).

De Farizeeën uit Jezus tijd zochten naar het fundament van het menselijk handelen. Was dit de immense eerbied voor God de Heer, of toch angst voor Zijn straffende hand? Zij waren zo scrupuleus in hun doen en laten geworden, dat zij dachten, dat God  de Heer als een strenge rechter zou oordelen en straffen.

Vele orthodox Protestantse Christenen leven nog in angst voor de straffende God. En ook in onze Kerk zijn veel mensen in het verleden scrupuleus opgevoed.

Jezus antwoord hoorden we in het Evangelie. Wat ziet Jezus dus als de kern van het geloof, dat Hij aan ons heeft doorgegeven?  De liefde.  De liefde gaat het eerst van God uit. Er wordt wel gezegd, dat de God uit het oude Testament een wrekende God is, die straft – maar we moeten vooral bedenken, dat het Godsbeeld in die duizend jaar vóór Christus, waarin het Oude Testament geschreven is, zich ontwikkeld heeft van een primitief beeld naar een steeds meer verstaan van wie die God is. Van eigenlijk al vroeg in de geschiedenis van Mozes, lezen we, hoe God aan Mozes verschijnt in de brandende braamstruik en hoe Hij tegen Mozes zegt:  “Ik ben de God van uw Vaderen Abraham, Isaak en Jakob. Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien. Ik ken hun lijden en Ik ben afgedaald om hen te bevrijden”  En als Mozes het dan waagt, naar Zijn Naam te vragen, antwoordt deze:  “ Ik ben de HEER, de Aanwezige, de Zijnde”

Hier lezen we dus heel duidelijk, dat God niet hoog in de Hemel troont, ver boven ons vandaan, onbekommerd. Nee, Hij houdt van Zijn volk. Hij is bedroefd over ons lijden en wil afdalen, naar ons toe komen dus, om te bevrijden en te redden. Zoals we elders in het Oude Testament bij Jesaja die ontroerende woorden lezen: Zal een moeder zich niet bekommeren om haar kind? Zelfs al zou ze het niet doen, Ik vergeet u nooit.

God heeft dus zelf gezegd, dat Hij er altijd is, om mensen bij te staan. Deze God was ook de God van Jezus, die Hij Vader noemde. Want van Hem had Hij het leven ontvangen, de Geest, de Geest van liefde en barmhartigheid. De Geest, waarmee de Vader ook ons door Zijn Zoon wil vervullen. De Apostel Johannes schrijft dan ook:  Niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad. Hij heeft Zijn Zoon gezonden, om onze zonden uit te wissen.

Van iemand houden betekent zorg hebben voor de ander, je in die ander willen verplaatsen, hem of haar tot centrum van je leven maken, één met iemand worden en blijven. Trouw is een wezenlijk aspect van ware liefde. God voelde de pijn van de joodse slaven in Egypte, leed met hen mee en bevrijdde hen. En Jezus zal eens ons voorhouden: Ik had honger, dorst, was naakt, ziek en in de gevangenis – kunnen wij dan naar het voorbeeld van St. Martinus zeggen, dat we nood gelenigd hebben, waar we konden, aandacht en zorg hadden, waar nodig? En dat we dat ook echt omwille van Jezus hebben gedaan en niet tot eigen eer?

De opdracht vanuit ons geloof is eenvoudig, maar niet gemakkelijk. Het vraagt wat van ons. Ouders, die hun kinderen moeten grootbrengen en dat mogen doen, zullen het niet altijd gemakkelijk hebben, zeker als hun kinderen in de puberteit zijn. Hoe te handelen, wat wél, wat niet. Een ernstige en langdurige zieke, anderen, die aandacht vragen op het werk, in de directe omgeving en toch blijven geven. En ook beseffen, dat God geen tovenaar is, die alle ellende wegblaast.

Onze Heiligen – aanstaande Zondag is het Allerheiligen – mogen ons tot voorbeeld zijn, in de eerste plaats Maria, Koningin van alle Heiligen , die wij in deze oktobermaand bijzonder eren. Is het vreemd, dat wij zo naar Haar trekken? In Maria zien we de liefde tot God én tot de mens gepersonifieerd. Zij is voorbeeld bij uitstek van een mens, die in verbondenheid met God leeft, wat háár overkwam in haar leven, wat háár werd aangedaan en niet tot klagen, of boosheid bracht.

Waarom ik?  Waarom mijn kind?

Zij werd niet in verwarring gebracht, of tot twijfel, ze liet niet los zo, van mij hoeft het niet meer. Ze werd niet bitter, maar kon aanvaarden in geloof en vertrouwen.

Velen hebben zich in deze tijd opgesloten in de staat van de wereld, het hier en nu. Hier moesten we het zoeken, hier ligt onze zekerheid, maar wat zo vast en zeker leek, is drijfzand gebleken, omdat iets heel immaterieels weg viel: vertrouwen en nu nog versterkt door een ongrijpbaar virus.

Onze werkelijke zekerheid ligt in God, een God, die van ons houdt en die wil, dat wij ons geluk vinden in Hem. Maria, in haar povere bestaan, was zéker van God. “Doe maar, wat Hij u zeggen zal” zei ze bij de bruiloft te Kana. Haar laatste woorden in het Evangelie. De oude Simeon had haar voorzegd, dat haar ziel met een zwaard zou worden doorboord. Alles, wat Jezus trof, heeft ook Maria doorgemaakt, zoals het ouders raakt, wat hun kinderen overkomt en mensen, die door alle pijn en verdriet heen, in geloof kunnen aanvaarden:  dat zijn volwassen gelovigen en dat zijn mensen, die dicht bij Maria staan. En mensen, die worstelen met hun geloof in moeilijke momenten, mogen bij haar uithuilen en hoeven zich daarvoor niet te schamen.

Is het niet de schoonheid van ons geloof, dat wij een Hemelse Moeder hebben, die zich over ons ontfermt en die voor ons ten beste spreekt bij onze Hemelse Vader.

Heilige Maria, bid voor ons, zondaars, omdat wij steeds weer tekort schieten in die grote opdracht van ons geloof:  God en de naasten lief te hebben.

Dat wij U mogen volgen in de navolging van Uw Zoon

Amen