PREEK VAN PASTOOR/PLEBAAN R. WAGENAAR, GEHOUDEN OP ZONDAG 25 JULI 2021 IN DE      ST. JOZEFKATHEDRAAL TE GRONINGEN.

17e Zondag door het jaar – B                                                                                                                                                                                             Gedachtenis aan Z. Titus Brandsma, Priester/Martelaar (27 juli)

De wonderbare broodvermenigvuldiging wijst vooruit naar de instelling van de Eucharistie – Christus blijvende zelfgave – in de Heilige Communie, de meest innige verbondenheid met Hem.

Vanuit díe innige verbondenheid heeft de Zalige Titus Brandsma geleefd en alles doorstaan in Dachau, waar hij op 26 juli 1942 werd gedood.

Op de Kerkelijke kalender voor ons land staat zijn gedachtenis op 27 juli, vanwege de gedachtenis van Joachim en Anna, de ouders van Maria op 26 juli.

Anno Sjoerd Brandsma werd op 23 februari 1881 geboren in Oegeklooster bij Bolsward, een echte Fries, in een gezin van 6 kinderen. Tenger, klein, vriendelijk, maar met een taaie wil, begiftigd met een scherp verstand, een diep religieus man. Na het gymnasium trad hij in bij de Karmelieten in Boxmeer, met de kloosternaam Titus, naar zijn vader.

De orde der Karmelieten was rond 1900 in heel Europa teruggevallen tot 2 kloosters, één in Duitsland en dat in Boxmeer en er waren nog 3 kloosterlingen van rond 80 jaar oud.

Neergang is dus niet een nieuw gegeven, zoals mensen nu wel denken. Alles is al vaker en eerder voorgekomen.

Met Titus begon de herbloei. Toen hij stierf waren er alleen al in Nederland honderden Karmelieten, van eenvoudige broeders tot grote geleerden. Na zijn Priesterwijding wordt hij belast met de wetenschappelijke vorming van de jonge monniken van zijn orde. In 1923 wordt hij hoogleraar aan de toen opgerichte Katholieke Universiteit in Nijmegen en hij doceert daar filosofie en de geschiedenis van de mystiek. Een tengere man met een zwakke gezondheid, maar een duizendpoot, die daarnaast van alles ondernam en die geen “nee“ kon zeggen, als er een beroep op hem werd gedaan. Hij was een groot vereerder van Bonifatius en werd de motor achter het Heiligdom in Dokkum, dat in de jaren ’30 werd gebouwd. Ook zette hij zich in voor de activering van de Friese cultuur, taal en godsdienstige tradities. Hij schreef wetenschappelijke artikelen o.a. in dagbladen, organiseerde Katholieke dagen, manifestaties of congressen.

Zo bouwde hij ook klooster en Kerk van de Karmelieten op de Doddendaal in Nijmegen. In Oss een HBS, bibliotheek met goede lectuur, het Carmelcollege in Oldenzaal. Zijn omgang met mensen werd gemarkeerd door grote vriendelijkheid en mildheid, tot op de laatste dag van zijn leven.

Zijn levenshouding was consequent Katholiek: hij vergat nooit, dat de werkelijke kracht en wijsheid moet komen van een intieme omgang met de Heer, met een trouwe devotie tot Onze Lieve Vrouw volgens de Karmeltraditie.

Titus zag het opkomend gevaar van het nationaal – socialisme en waarschuwde iedereen, met name journalisten, als geestelijk adviseur van de Katholieke journalistenbond.

Hij weerstond de maatregelen van de bezetter, eerst ten aanzien van het eigen Katholiek onderwijs, waarvoor hij regelmatig naar Den Haag ging. Vervolgens eiste de bezetter propaganda voor het nationaal – socialisme in de R.K. dagbladen en pers in het algemeen. In opdracht van de Bisschoppen en met name Aartsbisschop de Jong, trok hij door het hele land, om de R.K. pers te mobiliseren.

Dat werd hem fataal. Zijn omgeving zag het gevaar van een dreigende arrestatie, maar Titus bleef rustig op zijn post en weigerde onder te duiken.

Op 19 januari 1942 gebeurde het onvermijdelijke, zijn arrestatie door de Duitse bezetters. Eerst kwam hij in de gevangenis in Arnhem, vervolgens Den Haag en Scheveningen. Martelingen, eindeloze verhoren. Zijn ondervrager wilde zijn verhaal op papier en Titus bevestigde daarin, dat hij het Christendom in bescherming nam tegen het nationaal – socialisme. Zijn ondervrager noemde hem een man van karakter, wat zijn overtuiging betreft, maar een zeer gevaarlijk man. Titus werd naar Amersfoort overgebracht en tenslotte naar Dachau, waar hij op 19 juni 1942 aankwam met een grote groep lotgenoten. Daar waren een paar duizend Priesters in aparte barakken ondergebracht, waaronder veel Polen en ook Predikanten. Dachau is onmenselijk. Uren aaneen stilstaan, of marcheren en dan steeds sneller. Wie niet mee kon komen, kreeg zweepslagen.

Hij kwam in een barak met zo’n 1200 Priesters en religieuzen en nog 50 Protestantse Predikanten.

Titus trof een medebroeder en zo gaven ze elkaar steun. Hongerdieet, trappen, slagen, met name door een sadistische SA bruut, die de uitgemergelde Brandsma, met opgezwollen benen regelmatig met schoppen en stokslagen bewerkte, wisten Titus geestelijk niet te breken. Hij bleef opgeruimd en bagatelliseerde zijn pijnen. “O, het valt wel mee. Christus heeft veel meer moeten lijden”, zei hij.

Op Goede Vrijdag dat jaar, klom hij op een kist en hield een voordracht over God-in-ons. “Dit kan niemand en niets ons ontnemen”, zo hield hij zijn medegevangenen voor. Hij besloot met een Gebed voor zijn beulen.

Naar het lichaam was hij afgemat, maar geestelijk ongebroken, altijd vriendelijk en blijmoedig in de Heer, zo getuigde Ds. Overduin, medegevangene, later.

Tot bloedens toe geslagen strompelde hij tenslotte naar de ziekenbarak, waar zelden iemand levend vandaan kwam. Op een vuile strozak, waarop reeds vele anderen de dood hadden gevonden, werd hij gedood door een spuitje: “ Heer, niet mijn wil, maar Uw wil geschiede”, hoorde men hem nog zuchten. In de Liturgie van die dag, zong de Kerk: Ontruk mij Heer aan de pijnigingen van mijn vijanden.

Dit ging voor Pater Titus nu in vervulling. Steeds had hij geleerd: Eerst door de tunnel heen, dan komt het licht, het Eeuwig Licht.

Titus, die in zijn leven het Goddelijk mysterie tot voorwerp van zijn beschouwingen had verkozen, was veroordeeld het tegenover gestelde mysterie, dat van het kwaad, tot in de diepte van de dood te doorleven. Een afschuwelijk dieptepunt, maar in de geschiedenis van de Kerk een ontroerend hoogtepunt van edele trouw, offerbereidheid en overgave aan Gods heilige wil.

Kort daarvoor nog – de Priesters mochten wel de Heilige Mis lezen, maar andere gevangenen mochten daar niet bij zijn – had hij een Heilige Hostie meegenomen voor een medebroeder, stevig tegen zich aan gedrukt, terwijl hij door een wachter werd afgeranseld. Hij sleepte zich naar zijn ligplaats en zijn medebroeder wilde hem troosten. “Dank je”, zei Titus, ”maar je hoeft niet bezorgd te zijn. Jezus was in de Eucharistie bij mij”. Zijn Christusverbondenheid heeft hem geestelijk sterk gehouden in alle lichamelijke ellende.

Daarin mag de Zalige Titus Brandsma voor ons een voorbeeld zijn. Op 3 november 1985 zalig verklaard en mogelijk binnen afzienbare tijd zijn Heiligverklaring. Een landgenoot, waar we trots op mogen zijn, uit ons Bisdom.

Amen