PREEK VAN PASTOOR/PLEBAAN R. WAGENAAR, GEHOUDEN OP ZONDAG 18 SEPTEMBER 2022 IN DE ST. JOZEFKATHEDRAAL TE GRONINGEN.

Vijfentwintigste Zondag door het jaar – C

Zo duidelijk als de profeet Amos in de Eerste Lezing uitbuiting en onrecht aan de kaak stelt, zo ondoorzichtig is het Evangelie over de onrechtvaardige rentmeester – zeker op het eerste gezicht. Wordt de onrechtvaardige rentmeester geprezen? Ja. Maar wat valt er in hem te prijzen? De verkwisting van het bezit van zijn meester? Dat hij tot nadeel en schade van zijn meester de schuldenaren tot zijn vrienden wil maken? Neen, dat is geenszins prijzenswaardig, maar wel en daar gaat het nu om, dat hij schrander en slim en met overleg handelt. De benadeelde eigenaar en heer moet dat erkennen.

De kinderen der duisternis zijn slimmer dan de kinderen van het licht. Maar de kinderen van het licht zouden met evenveel overleg moeten handelen.   Met zoveel overleg en handigheid als de kinderen der duisternis handelen, zo zouden de kinderen van het licht moeten doen om het goede te bewerken.

Als God en de mammon tegenover elkaar worden gesteld is dat niet in de absolute zin gezegd, als zou men niets mogen bezitten.

Want er staat: maakt u vrienden door de onrechtvaardige mammon, opdat zij – wanneer die u komt te ontvallen – u in de eeuwige tenten opnemen. De mens heeft van God het stoffelijk bezit in beheer gekregen. Hij moet dit zo gebruiken, dat hij op het moment dat hij in moeilijkheden komt en zijn vroegere bestaan verliest, vrienden heeft, die hem dan zullen helpen. Dat moment is het uur van de dood. Want dan moet de mens het bestaan prijsgeven, dat hij tot nu toe heeft geleid.  Vrienden zal hij vinden, wanneer hij door middel van zijn stoffelijk bezit anderen heeft geholpen, die op hun beurt voor hem bij God ten beste spreken, zodat hij in de eeuwige tenten wordt opgenomen.

Ik had honger en gij hebt mij te eten gegeven, ik had dorst en gij hebt mij gelaafd, ik was naakt en gij hebt mij gekleed, ik was ziek en in de gevangenis en gij hebt mij geholpen en bijgestaan.   “Wat gij aan de minsten der mijnen hebt gedaan, hebt gij aan mij gedaan”.

Het verstandig gebruik van zijn eigendom bestaat dus hierin, dat men zijn bezit niet zoveel mogelijk zoekt te vermeerderen – laat staan ten koste van anderen – , dat men dus niet op materiële winst uit is, maar dat men in tegendeel liever geeft dan neemt, liever helpt dan zich laat helpen. Hoe meer goed men doet met zijn bezit, des te meer goeds kan men in het andere leven ontvangen.

Wij hebben het stoffelijk bezit van God in beheer gekregen. Wat doen wij met dat kleine? Zijn we bezig met de vraag: wat komt mij uit, waar heb ik zin in, wat doen de anderen? Of stellen wij, gelovigen, ons de vraag: wat is in overeenstemming met de wil van God, die mij dit alles in beheer heeft gegeven? Gaan we met de stoffelijke dingen om, alsof ze ons eigendom zijn, of beseffen we, dat we slechts rentmeesters zijn en geen meester.

Het heeft ook te maken met eerbied: voor de schepping, voor elkaar, voor de Schepper zelf.  Is het niet zo, dat waar de eerbied voor de Schepper verdwenen is, men ook geen eerbied meer heeft voor de schepping en voor elkaar. Dat men die is gaan gebruiken voor eigen nut, winst en genot?   Bovendien is in onze samenleving zoveel geregeld en georganiseerd, dat men altijd wel ergens terecht kan – de schaduwzijde van ons sociale stelsel. Toch gaat het uiteindelijk niet om doeltreffende regelingen, zakelijk, maar om bekommernis om elkaar, omdat wij broeders en zusters zijn van één Vader. En die is nooit te vervangen.

God wil, dat alle mensen gered worden en tot de kennis van de waarheid komen, zegt Paulus in zijn brief aan Timotheus, zoals we in de Tweede Lezing hoorden – hoopvolle woorden, die wij mee kunnen bewerken – door Zijn heilsplan uit te voeren.

Wij kunnen tot de kennis der waarheid komen en anderen brengen, door vanuit de Eredienst, die wij vieren als gelovige mensen gerechtigheid in de wereld te brengen, te beginnen in onze eigen omgeving, omdat God dat van ons vraagt.

Amen