PREEK VAN PASTOOR/PLEBAAN R. WAGENAAR, GEHOUDEN OP ZONDAG 11 SEPTEMBER 2022 IN DE ST. FRANCISCUSKERK TE GRONINGEN.

Vierentwintigste Zondag door het jaar – C

Hoorden we in het Evangelie van afgelopen Zondag een veeleisende Christus, die totale onthechting vraagt omwille van Hem, vandaag horen we over de andere zijde van God, die altijd aan de rouwmoedige zondaren wil vergeven en die barmhartigheid betoont.

We hoorden het in de Eerste Lezing, waar God Zijn toorn over de afvalligheid van het volk wil laten gaan, maar daarvan afziet op Mozes’ smeekbede.

Paulus spreekt in de Tweede Lezing over de barmhartigheid, die hem door God is bewezen.     Christus Jezus, zegt hij, is in de wereld gekomen om zondaars te redden.

Het Evangelie illustreert dat op overtuigende wijze in drie parabels, die Lucas achter elkaar zet en waarvan u er twee hoorde: dat van het verloren schaap en de drachme, die teruggevonden wordt. Die over de verloren zoon is alom bekend en natuurlijk prachtig.

Twee groepen komen naar Jezus toe. Enerzijds de tollenaars en zondaars van allerlei slag, anderzijds de farizeeën en schriftgeleerden.  De eersten geven niet om de wet van God, hebben geen tijd en interesse voor godsdienstige zaken, of ze denken liever niet aan God, omdat zij dan met hun geweten in de knoop komen. Toch komen ze naar Jezus toe om naar Hem te luisteren.  Farizeeën en schriftgeleerden zijn de serieuzen, die ernst maken met Gods wet en dat vooral van zichzelf vinden.

Het lijkt duidelijk, wie de verlorenen zijn en wie de uitverkorenen.

Maar God ziet anders dan de mensen. Hij kijkt niet naar het uiterlijk, maar naar het hart van de mensen.

Natuurlijk deugt de levenswijze van de eerste groep niet en dat weten ze zelf diep in hun hart ook: ze voelen zich reddeloos, omdat zij zondaren zijn. Wat moeten ze nog? Ze kunnen alleen maar hopen op barmhartigheid. Daarom komen ze toch luisteren, want diep in de mens blijft een hunkering naar zuiverheid en hoop op verlossing en redding.

God kijkt naar het innerlijk: het besef van eigen kleinheid, beperktheid, zondigheid. Als dat er is, dan is er in het diepst van het hart een zoeken naar God.

Veel erger zijn de anderen, farizeeën en schriftgeleerden eraan toe, die van zichzelf vinden, dat ze wel goed zitten, die vinden, dat zij op de voorste rij horen. Zij kunnen niet gered worden, omdat zij denken geen redding nodig te hebben.

Gods gedachten en wegen zijn niet de onze. Hij gaat de echte zondaars achterna en laat de schijnvromen staan. Hij zoekt de mens, onvermoeibaar, door Zijn uitspraken en vermaningen, ook door de Kerk door priesters, medemensen en gebeurtenissen.

Er is veel, dat in ons leven kan gebeuren en als onaangenaam wordt ervaren, maar waar God Zijn bedoelingen mee kan hebben. Door ziekte kan een rusteloze mens tot bezinning komen, door verlies van vermogen kan hij onthechting leren, door ontgoochelingen kan hij wijs worden, door mislukkingen zijn valse trots opgeven, pijnlijke kritiek kan hem van egoïsme bevrijden, het verlies van een dierbare kan hem tot God brengen. “Uit de diepte roep ik tot U”, want nooit is de mens alleen.   God is als een jager en een mensenvisser, die nooit opgeeft en geduldig wacht.

Dat ene schaap is niet het zwarte schaap. Wij zijn allemaal wel eens dat schaap, we hoeven geen mensen elders aan te wijzen: ook wij lopen wel eens weg, gaan verkeerde wegen, verstoppen ons voor de herder. Maar de herder wordt niet moe ons te zoeken en ons terug te brengen.  Wat is nu één schaap op een hele kudde, wat is één drachme?

De vreugde van het terugvinden illustreert de vreugde van God, want ieder mens is voor Hem kostbaar. Hij wil immers, dat alle mensen gered worden en het heil in Hem vinden.

Hoe onbeduidend en nietig wij onszelf voelen, hoe falend ook, nooit zijn wij afgeschreven voor God. Christus wijst geen mensen af, de Kerk wijst geen mensen af – wel daden van mensen, maar zelfs de som van zijn daden betekent nog niet die mens. “De mens overstijgt altijd de mens”, zei Pascal. Hij is zoveel meer dan hij zelf denkt, omdat hij het heilig merkteken van God in zich draagt, geschapen is naar Zijn beeld en gelijkenis. De mens is een mysterie in zich, voor anderen, voor zichzelf, omdat God er is vanaf zijn begin: nog vóór wij geboren zijn, houdt Hij al van ons, staat in één van de Eucharistische Gebeden en de Psalm zegt: in de moederschoot heb Ik uw levensdraden geweven.

Als wij deze Eucharistieviering vieren en dadelijk ter Communie gaan, mogen we dat met grote eerbied doen.

“Heer, ik ben niet waardig tot U te komen, maar spreek slechts één woord en ik zal gezond worden”.

 

Amen