PREEK VAN PASTOOR/PLEBAAN R. WAGENAAR, GEHOUDEN OP ZONDAG 11 APRIL 2021 IN DE          ST. JOZEFKATHEDRAAL TE GRONINGEN.

2e Zondag van Pasen – B (Beloken Pasen).

Deze Zondag noemen wij Beloken Pasen. Beloken betekent “gesloten”. Het is de octaafdag van Pasen, de achtste dag en daarmee wordt de Paasweek besloten.

We hebben in deze afgelopen week telkens Verrijzenisgetuigenissen gehoord in de Evangeliën.

De ontmoeting met Maria Magdalena, die dacht, dat het de tuinman was, de Emmaüsgangers, het ontbijt bij het meer, de verschijning van Jezus aan de Apostelen, de opdracht aan de Apostelen om over de hele wereld uit te gaan om het Evangelie te verkondigen en vandaag tenslotte het getuigenis van de ongelovige Thomas.

Wat in de eerste plaats opvalt is, dat Christus niet aan een grote menigte, het hele volk zich manifesteert, maar slechts aan enkelingen, de meest nabijen. Echter, die Hem het meest nabij was op deze aarde, Zijn moeder Maria, wordt niet vermeld in het Evangelie.

Waarom is het zo bescheiden, zo onopvallend gedaan? Het is moeilijk een juist antwoord te geven, maar wel kunnen we zien in heel de Openbaring, dat God zich langzaam maar zeker openbaart. Altijd is het stapsgewijs, bijna voorzichtig, in fases. Door heel het Oude – en Nieuwe Testament. Altijd begint het klein, onopvallend. De Verlosser komt als een pasgeboren Kind. Maar ook het begin van het Joodse volk, het uitverkoren volk, is bijna pover: Een bejaard echtpaar krijgt één zoon, terwijl God beloofde aan Abraham een groot volk te geven, talrijk als de sterren aan de hemel en als het  zand op het strand. De Openbaring van de Goddelijke Drieëenheid is ook pas helder in het Nieuwe Testament bij Jezus’ Doop in de Jordaan. Gods kracht openbaart zich in zwakheid. God heeft geduld, overdondert niet. En zo is de ontvouwing verder gegaan in de Kerk, in de Geloofsbelijdenis, die tot stand is gekomen, in de Sacramenten, die weliswaar op Christus teruggaan en op Zijn kruis, maar in hun vormgeving en beleving zich ontwikkeld hebben, in de Geloofsleer in het algemeen, zoals in de natuur alles klein begint, het zaadje tot wasdom komt.

Heeft Christus zelf niet het beeld gebruikt van het zaadje, dat tot een boom uitgroeit en waar in de takken en het loof de vogels zich nestelen?

Vandaag horen we in het Evangelie ook over de instelling van het Sacrament van de Verzoening.

“Wier zonden gij vergeeft, hun zijn ze vergeven en wier zonden gij niet vergeeft, hun zijn ze niet vergeven”. Een geweldig mandaat, dat Christus aan de Apostelen geeft, om in Zijn Naam zonden te vergeven. Een prachtig Sacrament van Bevrijding.

Op het ogenblik is in de Reformatie de vraag naar het Sacrament van de Biecht in bepaalde groepen levend. Natuurlijk hebben we allemaal vergeving nodig en moeten we bidden om vergeving. Maar het blijft iets anders, of we bidden om vergeving –  een smeekbede – , of dat je door het Sacrament als Priester mag zeggen: Uw zonden ZIJN u vergeven. Hamerslag. Het is geen mensenwerk. Het is Christus, die vergeeft en die een volmacht gegeven heeft aan de Apostelen en hun opvolgers, de Bisschoppen en hun medewerkers, de Priesters, om dat in Zijn Naam te doen. Wij kunnen ons dat zelf niet toe eigenen.

Dat is het grote gegeven van de Sacramentaliteit van de Kerk. Dat is, dat Christus door mensen, die daartoe zijn aangesteld, Zijn gaven uitdeelt. Dat is de cooperatio, de samenwerking tussen God en mensen, die door Christus, door Zijn nieuw en Altijddurend Verbond, mogelijk is gemaakt.

Wij zouden meer moeten beseffen van Gods oneindige goedheid en gaven, die wij nodig hebben en die niet willekeurig zijn gegeven. Alsof wij die maar naar eigen goeddunken kunnen nemen, of laten liggen.

Hij weet, wat we nodig hebben en we doen onszelf tekort, als we daar onverschillig mee omgaan. Moet er een andere vormgeving komen? Uiteindelijk gaat het erom, dat wij persoonlijk ons uitspreken, dat wij onszelf willen bevrijden van wat ons geweten bezwaart, van wat niet goed was.

Waarom kunnen mensen vandaag de dag voor miljoenen tv kijkers wél met hun meest intieme zaken naar voren komen, die uitspreken en kan men dat niet meer in de veilige beslotenheid van de Biecht?

Het gaat uiteindelijk om een act van geloof, dat wij arme zondaars zijn, ook al hebben we het nog zo goed en dat God de Al Heilige en Volmaakte is, die wij onze Vader mogen noemen, ons niet neerdrukt, maar in genade opheft, Zijn armen om ons heen slaat, zoals bij de verloren zoon.

Een act van geloof, zoals de kortste en mooiste staat in het vervolg van het Evangelie van vandaag, waar Thomas neerknielt en alleen maar zegt: “Mijn Heer en mijn God”.

Dáár gaat het om, dat is het ENIGE echt belangrijke.

ZALIG zij, die niet zien en toch geloven!

Amen