De laatste maand zijn er weer aanslagen gepleegd in Europa, in een voorstad van Parijs, in een kerk in Nice en in de binnenstad van Wenen. Deze aanslagen zijn gruwelijk en geschieden vanuit islamitische terroristische motieven. Deze aanslagen veroordelen we ten zeerste, onacceptabel.

Wat in dezen een grote rol speelt is de discussie over vrijheid van meningsuiting. In Europa wordt dit als een groot goed gezien. De premier noemde het zelfs het ‘hoogste goed’.  Dat ben ik niet met hem eens. God is het hoogste goed, en vrijheid van meningsuiting, godsdienstvrijheid, recht om te demonstreren, het recht om niet gediscrimineerd te worden etc. zijn belangrijke grondrechten waarop onze samenleving steunt. Het is moeilijk om een gradatie tussen deze grondrechten aan te geven. Het is een voortdurend afwegen van belangen.

Vrijheid van meningsuiting kent ook grenzen, grenzen van fatsoen en respect. Er wordt van alles geroepen, mensen worden beledigd, Kamerleden gebruiken soms een taal die geen enkele burger past. We leven in een vrij land, we mogen onze mening hebben en die mogen we ook uiten in het publieke domein, maar de manier waarop we dat doen en de intentie waarmee we dat doen is niet onbelangrijk. Er worden nogal eens grenzen overschreden.

De vraag is hoe ver vrijheid van meningsuiting mag gaan, en dan met name of er religieuze spotprenten gemaakt mogen worden. Christenen hebben een groot incasseringsvermogen. We kunnen ons beledigd voelen, en terecht, maar we reageren alleen met woorden. Komt dat omdat onze Heer zelf bespot werd en de hoon verdroeg? Zo ja, dan zullen we op gepaste wijze reageren, met woorden, misschien zelfs door te zwijgen – dat deed Christus ook. Reageren met een moordaanslag is niet proportioneel. Haatgevoelens moet je niet omzetten in daden, maar onderdrukken.

De docent Samuel Paty liet om educatieve doeleinden een spotprent van Mohammed in de klas zien. Er mocht blijkbaar niet gesproken worden over een problematisch maatschappelijk verschijnsel.