PREEK VAN PASTOOR/PLEBAAN R. WAGENAAR, GEHOUDEN OP DINSDAG 2 NOVEMBER 2021 IN DE ST. JOZEFKATHEDRAAL TE GRONINGEN.

Allerzielen – B

Volgens een 1000 jaar oude traditie vieren wij vandaag Allerzielen, bidden wij voor alle gestorvenen. Maar al sinds de vroegchristelijke tijd, 2000 jaar geleden, bidden wij voor onze overledenen.

Waarom bidden wij, Katholieken en orthodoxen van de Oosterse Kerken voor onze gestorvenen, wat onze mede christenen van de Reformatie niet kennen?

De wortels liggen in het Oude Testament, in het 2e Boek der Makkabeeën, ongeveer 150 jaar vóór Christus geschreven. Daar lezen wij, waarom wij sinds onheuglijke tijden voor overledenen bidden en Misoffers opdragen.

Het is een helder en bemoedigend antwoord, dat Judas de Makkabeeër door een offer op te dragen,  bewerkt, dat de overledenen van hun zonden zouden worden vrijgesproken. Een mooie en edele daad, ingegeven door de gedachte aan de Verrijzenis. Want, als men niet geloofd en gehoopt had, dat de doden zouden verrijzen, zou het bidden voor hen immers zinloos zijn.

Er is naast het Bijbelse gegeven ook de machtige traditie van de Kerk.

Men heeft altijd geloofd, dat de mensen loutering behoeven, al vóór men van aangezicht tot aangezicht met de Alheilige zou kunnen verkeren en lang vóór de leer van het vagevuur zich ontwikkeld heeft. Daarom bad men al in vroeger tijd voor overledenen.

Het is juist op grond van deze oeroude gebedspraktijk, dat de leer van het vagevuur er is gekomen. Het leven gaat altijd aan de leer vooraf.

Velen wijzen het gegeven, vagevuur, nu af, ook al houdt de Kerk ons dit nog steeds voor.

Het gegeven, vagevuur, is geenszins negatief, integendeel, het is gegrond op het geloof in de Verrijzenis. Het gaat om een louterend vuur.

Waar wij niet zondeloos leven of sterven, maar wel God willen toebehoren, hebben mensen loutering, zuivering nodig in hun opgang naar de Allerhoogste, om in Zijn aangezicht te kunnen leven.

Vuur moeten wij dus verstaan als reinigende en heiligende kracht van Gods heiligheid en barmhartigheid. In de dood komt de ontmoeting tot stand met het vuur van de liefde van God.

Dat heeft voor een mens, die weliswaar voor God gekozen heeft, maar dit niet consequent beleefd heeft – en bij wie zou dit niet het geval zijn – een louterende en omvormende kracht.

In feite is het vagevuur dus God zelf in Zijn reinigende en heiligende macht voor de mens.

Door de smeekbeden van de gelovigen, van ons dus en vooral door het Heilig Misoffer, kunnen wij hen helpen. Zó blijft de verbondenheid levend, ondanks de vervagende herinneringen en kunnen wij nog iets betekenen voor onze dierbare overledenen en voor al die andere vergeten gestorvenen.

Het is de liefde, die alle ledematen van het ene Lichaam van Jezus Christus, de Kerk, solidair verenigt.

Daarom kunnen wij biddend voor elkaar opkomen en zo aan het Lichaam van Christus aanvullen, wat nog ontbreekt aan het lijden van Christus, zoals St. Paulus ons voorhoudt.

Niet, dat Christus niet genoeg geleden heeft voor ons, maar Hij laat ons delen in de uitwerking van Zijn Heilsplan, zodat wij plaatsvervangend iets kunnen doen voor het heil van anderen.

Daarom komen wij vandaag  overal ter wereld in Kerken samen en bezoeken mensen de graven van hun dierbaren, die de dagen ervoor zijn verzorgd en met bloemen en in vele landen ook met lichtjes zijn getooid – prachtige uitdrukking van ons geloof en hoop op het Paradijs.

Zo wordt ook duidelijk, dat er een geloofsband met onze gestorvenen blijft, zoals ook met hen, die al rond het Altaar van het Lam verzameld zijn: alle Heiligen.

De gemeenschap van alle gelovigen reikt over de grens van ons aardse bestaan.

Allerheiligen en Allerzielen wijzen ons op ons eigen levensdoel en herinneren ons aan onze levensopdracht:  of wij leven of sterven, aan God behoren wij toe.

De troost van ons geloof in het eeuwig leven moge het verdriet verzachten en de hoop in ons versterken.

Dat onze gestorvenen mogen delen in het Licht van de Verrezen Heer en wij eens met hen!

Amen